Voedsel voor eeuwig leven

Voedsel voor eeuwig leven

Gedurende dit liturgisch jaar B lezen wij op de zondagen door het jaar uit het evangelie volgens Marcus. Op een aantal opeenvolgende zondagen echter wordt deze lezingencyclus uit het evangelie volgens Marcus onderbroken door het lange zesde hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes. Vandaag hoorden wij het tweede gedeelte (Joh. 6,24-35).

Het zesde hoofdstuk uit het evangelie volgens Johannes begint met de wonderbare broodvermenigvuldiging. Vijf gerstebroden en twee vissen zijn voor Jezus voldoende om duizenden mensen overvloedig te laten eten. Er blijft zelfs nog over. Dit teken is voor Jezus de aanleiding om te spreken over de gaven van zijn eigen lichaam en zijn eigen bloed ten bate van het leven der wereld, en ten bate van het eeuwig leven. Vandaag horen wij: “Werkt niet voor het voedsel dat vergaat maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven.” Later zal Jezus ronduit verklaren: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.” Velen antwoordden met instemming en geloof; anderen liepen weg vol afwijzing en ongeloof.

Hetgeen Johannes verhaalt in het zesde hoofdstuk van zijn evangelie gebeurt in grote lijnen ook in onze eucharistievieringen. Eucharistie betekent letterlijk dankzegging voor een grote gave. Zoals er vijf gerstebroden en twee vissen nodig waren om de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging te doen plaatsvinden, zo hebben wij elke eucharistieviering de bescheiden gaven van brood en wijn nodig om ons op het einde van de viering te kunnen voeden met de onmetelijke gaven van het Lichaam en het Bloed van de levende verrezen Heer. Bij de offerande (de aanbieding van brood en wijn) zegt de priester: “Gezegend zijt Gij, God, Heer van al wat leeft. Uit uw milde hand hebben wij het brood (de beker) ontvangen. Aan U dragen wij op de vrucht van de aarde (wijngaard), het werk van onze handen. Maak het voor ons tot brood (bron) van eeuwig leven.” De aanwezige geloofsgemeenschap antwoordt beide keren met: “Gezegend zijn Gij, God, in alle eeuwen.” Helaas wordt dit onderdeel van onze eucharistievieringen vaak overstemd door orgelspel of offerandegezang. Toch is het een wezenlijk onderdeel van de liturgie die ons direct verbindt met de zegeningen van brood en wijn in de joodse sedermaaltijd, een rituele maaltijd op de vooravond van Pesach (Pasen).

Hoe dan ook, in elke eucharistieviering mogen we in geloof de levende verrezen Heer aanwezig weten onder de gedaanten van brood en wijn. Ook in onze tijd wordt die door velen afgewezen met ongeloof of onbekendheid, maar ook door steeds meer (jonge) mensen (opnieuw) gelovig aanvaard en brengt de eucharistie rijke vruchten voort, niet alleen in de vieringen, ook de in de aanbidding. Vorige week hoorden wij onze roeping tot onderlinge eenheid des Geestes: “Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen, en met allen, en in allen.” Deze week horen wij de oproep om ons te bekleden met “de nieuwe mens, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.”

Pater Gerard Wijers s.s.s., Amsterdam

Delen

Lid van de congregatie van Sacramentijnen is pater Wijers woonachtig in de in Amsterdam bij de Begijnhof en assisteert heel regelmatig op het heiligdom.