Schepping en evolutie

genesis-mosaic-iconography-russian-church

Tot op de dag van vandaag wordt gestreden over de vraag of de wereld het werk is van een Schepper of het product van een evolutie. Er lijkt niet zelden een onoverbrugbare kloof tussen geloof en wetenschap. Aan de ene kant zijn er degenen die de Bijbel letterlijk willen lezen en zich afkeren van de evolutietheorie. Aan de andere kant zijn er wetenschappers die zich afkeren van iedereen die nog gelooft in een niet te bewijzen God en zijn scheppingswerk. Maar wat gebeurt er als men de beperktheid van het eigen – wetenschappelijk en/of gelovig – menselijk bewustzijn erkent en openstaat voor een eerlijke dialoog?

De wetenschap leert dat de wijze waarop ons menselijk lichaam functioneert, het aannemelijk maakt dat de mens een afstamming is van de primaten (mensapen). Daarover hoeven we ons niet te verbazen. We bestaan immers uit cellen, organen, zintuigen en weefsels met elk hun eigen functie, die we gemeenschappelijk hebben met alle zoogdieren. Bij de ontwikkeling van de medische wetenschap, waar veel kennis wordt verkregen uit dierproeven, maken we hier dankbaar gebruik van.

Het scheppingsgeloof leert dat de menselijke natuur ook een geestelijk element in zich draagt, dat niet aanwezig is in het dier. Dieren kunnen hun Schepper niet kennen, laat staan ermee in relatie treden. Dieren hebben geen geweten; zij handelen volgens hun instinct, kennen geen bewustzijn van goed en kwaad en hebben geen schaamtegevoel. De mens daarentegen heeft eigenschappen die hem uittillen boven zijn natuur. Hij heeft een geweten, een bewustzijn van goed en kwaad, een vrije wil, gevoelens van schuld en schaamte. De mens kan wel in een liefdevolle relatie treden met zijn Schepper langs de weg van overgave in geloof en hij kan Hem kennen langs de weg van de rede en van de ervaring.

Dit geestelijk element, dat wij ziel noemen, voegt zich in de natuurlijke orde en vormt daarmee een onscheidbare eenheid zolang het menselijk wezen bestaat, dat wil zeggen vanaf de conceptie tot aan de laatste ademtocht. De evolutionaire overgang van mensaap naar mens wordt in de Bijbel als volgt verwoord: “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen” (Genesis 1,27). De mens wordt gemaakt als een persoon, en niet zoals de dieren, soort na soort (Genesis 1,21-25). De betekenis van ons leven hangt per slot van rekening niet af van het feit of wij ons al dan niet bewust zijn van onze afstamming van de mensapen, maar wel van het feit of wij ons al dan niet bewust zijn van onze Schepper, die ons uit liefde heeft gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis, die ons blijft omringen met zijn liefdevolle zorg en die actief bezig blijft om de machten van het Kwaad uit te schakelen, de geslagen wonden te genezen, en de verstoorde relatie met zijn schepselen te herstellen. Daartoe heeft Hij uiteindelijk zijn eniggeboren Zoon naar deze wereld gestuurd. Met een knipoog naar de evolutieleer noemde paus Benedictus XVI (2005 – 2013) de verrijzenis van Jezus “de grootste ‘mutatie’, de meest beslissende sprong in een totaal nieuwe dimensie, die ooit heeft plaatsgevonden tijdens de lange geschiedenis van het leven en zijn ontwikkelingen …” (preek Paaswake, 15 april 2006).

Pater Gerard Wijers s.s.s., Amsterdam

Delen

Lid van de congregatie van Sacramentijnen is pater Wijers woonachtig in de in Amsterdam bij de Begijnhof en assisteert heel regelmatig op het heiligdom.

Vorige weekbrieven