DAGELIJKS BROOD, LEZINGEN VAN DE DAG 31 MEI – 5 JUNI 2021

DAGELIJKS BROOD, LEZINGEN VAN DE DAG 31 MEI – 5 JUNI 2021

Dagelijks Brood, lezingen van de dag is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood, lezingen van de dag 29 mei – 5 JUNI 2021

9e week door het jaar

Gebed tot de heilige Jozef

Tot U, Heilige Jozef nemen wij onze toevlucht in onze noden. En na de hulp van uw zeer heilige Bruid te hebben ingeroepen smeken wij met vertrouwen ook uw bescherming af.
Wij bidden U ootmoedig: zie met goedheid neer op het erfdeel dat Jezus Christus door zijn bloed heeft verworven en help ons in onze noden door uw machtige bijstand.
Dat vragen wij U omwille van de liefde die U heeft verbonden met de onbevlekte Maagd en Moeder van God en omwille van de vaderlijke tederheid waarmee Gij het Kind Jezus hebt aanvaard zorgzame bewaarder van het heilig Huisgezin bescherm de uitverkoren kinderen van Jezus Christus.
Liefdevolle vader, houdt ons ver van dwaling en zedenbederf.
Machtige beschermer, sta ons vanuit de hemel genadig bij in de strijd tegen de machten van de duisternis.
En zoals Gij weleer het Kind Jezus uit het grootste levensgevaar hebt gered zo verdedig nu ook de heilige Kerk van God tegen vijandelijke aanslagen en alle tegenwerking neem ieder van ons in uw blijvende bescherming opdat wij naar uw voorbeeld en gesteund door uw hulp heilig leven, zalig sterven en het eeuwig geluk in de hemel verkrijgen.
Amen

 

Maandag 31 mei   Maria Visitatie Feest

Eerste lezing (Sef. 3, 14-18a)

De Heer, de Koning van Israël, blijft bij u Sion, jubel van vreugde, juich, Israël, verheug u en wees blij, Jeruzalem, met heel uw hart!

Het vonnis dat op u drukte, werd door de Heer vernietigd. Hij heeft uw vijand verjaagd. De Heer, de Koning van Israël, blijft bij u: nu hoeft gij geen onheil meer te vrezen! Op die dag zal er tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, en laat uw handen niet verslappen. De Heer, uw God, is bij u als een reddende held. Uitermate verheugt Hij zich om u, door zijn liefde maakt Hij u nieuw; Hij jubelt om u van vreugde.

Ofwel:

Eerste lezing (Rom. 12, 9-16b)

Draagt bij voor de noden der heiligen, beoefent de gastvrijheid Broeders en zusters, uw liefde moet ongeveinsd zijn.Haat het kwaad, weest het goede welgezind. Bemint elkander hartelijk met broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf. Laat uw ijver niet verflauwen, weest vurig van geest, dient de Heer. Laat de hoop u blij maken, houdt stand in de verdrukking, volhardt in het gebed. Draagt bij voor de noden der heiligen, beoefent de gastvrijheid. Zegent hen die u vervolgen; ge moet ze zegenen in plaats van ze te vervloeken. Verblijdt u met de blijden en weent met hen die wenen. Weest eensgezind. Schikt u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen.

Tussenzang (Jes. 12, 2.3.4bcd.5-6)

Refrein:  Israëls Heilige woont in uw midden.
Ja, God is mijn heil, ik verlaat mij op Hem, ik hoef voor geen onheil te vrezen.
De Heer is mijn sterkte, de Heer geeft mij kracht, Hij toont zich mijn helper en redder.
De dag is nabij dat ge water zult putten met opgeruimd hart uit de bron van het heil.
Brengt dank aan de Heer en huldigt zijn Naam, verkondigt de volken zijn machtige daden,
maakt alom zijn grootheid bekend.
Zingt luid voor de Heer, die wonderen deed, laat heel de aarde het horen.
Verheugt u en juicht, gij die Sion bewoont,want Israëls Heilige woont in uw midden.

Vers voor het evangelie (Lc. 1, 45)

Alleluia. Zalig gij, Maria, die geloofd hebt dat tot vervulling zal komen wat u vanwege de Heer gezegd is. Alleluia.

Evangelie (Lc. 1, 39-56)

Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt

In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabeth werd vervuld met de heilige Geest en riep uit met luide stem: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.” En Maria sprak: “Mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder, daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig, omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed, en heilig is zijn Naam. Barmhartig is Hij, van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen. Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. Heersers ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen. Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig jegens Abraham en zijn geslacht, gelijk Hij had gezegd tot onze Vaderen.” Nadat Maria ongeveer drie maanden bij Elisabeth gebleven was, keerde zij naar huis terug.

Dinsdag 1 juni H. Justinus, martelaar

 

Eerste lezing (Tob. 2, 10-23)

Hij bleef onwankelbaar volharden in de vreze des Heren, en God danken, alle dagen van zijn leven

Toen Tobit eens een dode had begraven en ‘s nachts thuiskwam, legde hij zich, omdat hij onrein was, te ruste langs de muur van de binnenplaats, zonder zijn gezicht te bedekken. Hij had zijn ogen nog open en op een gegeven moment viel er mussendrek in. Hij kreeg witte vlekken op zijn ogen en werd blind. De Heer liet toe, dat deze beproeving hem trof, om ons een voorbeeld van geduld te geven, zoals dat van de heilige man Job. Want ofschoon Tobit van zijn prilste jeugd af steeds godvrezend was geweest en Gods geboden had onderhouden, en nu met blindheid was geslagen, morde hij toch niet tegen God. Hij bleef onwankelbaar volharden in de vreze des Heren, en God danken, alle dagen van zijn leven. Maar zoals de stamvorsten de zalige Job hadden gehoond, zo werd ook Tobit door zijn verwanten en vrienden om zijn levenswandel bespot. Ze zeiden hem: “Waar blijft nu je hoop, waarvoor jij aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd?” Maar Tobit berispte hen en zei: “Spreekt toch niet zo; want wij zijn van het geslacht der heiligen, en wij verwachten het leven, dat God zal schenken aan hen, die hun trouw jegens Hem nooit breken.” Intussen ging Anna, zijn vrouw, dagelijks uit weven en bracht dan de eetwaren thuis, die zij door haar handenarbeid had kunnen bekomen. Op een keer kreeg ze van de klanten aan wie ze geregeld werk afleverde, bij de betaling een bokje ten geschenke. Toen ze daarmee thuiskwam begon het te mekkeren. Tobit vroeg Anna: “Waar komt dat bokje vandaan? Het is toch niet gestolen? Breng het terug naar de eigenaar, want het is niet geoorloofd iets te eten dat gestolen is.” Zijn vrouw gaf hem kwaad ten antwoord: “Waar blijf jij met je aalmoezen en je goede werken? Nu komt je ware aard aan het licht.” En op een dergelijke manier bleef zij hem verwijten maken.

Tussenzang (Ps. 112, 1-2.7bc-8.9)

Refrein:  De rechtvaardige blijft ongeschokt op de Heer vertrouwen. Of: AIleluia.

Gelukkig de man die ontzag heeft voor God, die vreugde vindt in zijn geboden. Zijn kroost zal machtig zijn in het land, gezegend zal zijn het geslacht van de vrome. Voor slechte tijding is hij niet bang, hij blijft ongeschokt op de Heer vertrouwen. Standvastig en zonder vrees zet hij door tot hij op zijn vijanden neerziet. Met mildheid deelt hij aan armen uit, hij zal zijn gerechtigheid nooit verliezen, zijn macht en zijn aanzien vermeerderen steeds.

Vers voor het evangelie (Ps. 119, 36a.29b)

Alleluia. Mijn hart zij gericht op wat Gij verordent, geef mij uw wet als gids. Alleluia.

Evangelie (Mc. 12, 13-17)

Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt

In die tijd stuurden de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten enkele Farizeeën en Herodianen op Jezus af om Hem vast te zetten. Dezen kwamen bij Hem met de vraag: “Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en U aan niemand stoort, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid. Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet? Zullen we betalen of niet betalen?” Maar Jezus die hun huichelarij doorzag antwoordde: “Waarom probeert ge Mij te vangen? Geeft Mij een tienling, dan zal Ik eens zien.” Zij deden het. Jezus vroeg hun nu: “Van wie is deze beeldenaar en het randschrift?” Ze antwoordden: “Van de keizer.” Daarop sprak Jezus tot hen: “Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.” En ze stonden verwonderd over Hem.

Woensdag 2 juni  HH. Marcellinus en Petrus martelaren

Eerste lezing (Tob. 3, 1-11.16-17)

Het gebed van Tobit en Sara vond verhoring voor de heerlijke troon van de allerhoogste

In die dagen barstte Tobit van verdriet in tranen uit en bad in droefheid: “Rechtvaardig zijt Gij, Heer, en al uw werken en heel uw beleid getuigen van uw barmhartigheid en trouw, en als Gij oordeelt zijt Gij trouw en rechtvaardig tot in eeuwigheid. Wees mij indachtig en zie op mij neer. Straf mij niet om wat ikzelf en mijn voorvaders bewust of onbewust tegen U misdaan hebben. Zij hebben zich aan uw geboden niet gestoord. Daarom hebt Gij ons prijsgegeven aan plundering, gevangenschap en dood, en aan de spot en hoon van alle volken waaronder wij verstrooid zijn. Ook nu zijn al uw beschikkingen billijk, omdat Gij mij behandelt naar mijn eigen zonden en die van mijn voorvaders. Wij hebben uw geboden immers niet onderhouden en hebben ons niet trouw betoond jegens U. Doe daarom met mij wat U goeddunkt. Neem mijn levensadem terug, zodat ik ontbonden word en tot aarde verga. Want de dood is me liever dan het leven, nu ik onverdiend gehoond word en in grote droefheid verkeer. Laat me eindelijk, uit deze benauwenis bevrijd, gaan naar de eeuwige woonplaats. Wend uw aangezicht niet van me af.” Diezelfde dag gebeurde het dat Sara, de dochter van Raguël, die in Ekbatana in Medië woonde, beledigd werd door de dienstmeisjes van haar vader. Zij was namelijk al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze demon Asmodaüs had hen gedood nog voor ze gemeenschap met haar hadden. En nu zeiden de dienstmeisjes haar: “Zijt gij soms niet goed wijs, dat ge die mannen van u wurgt? Zeven hebt ge er al gehad, maar met geen een uw voordeel gedaan. Daarom hoeft ge ons toch niet te slaan. Zijn zij gestorven, ga ze dan maar achterna. Dat we nooit in der eeuwigheid een zoon of dochter van u te zien krijgen.” Op dat gezegde ging Sara naar het bovenvertrek van haar huis en gebruikte drie dagen geen eten of drinken, maar bleef volharden in gebed en smeekte God onder tranen haar van die smaad te bevrijden. Het gebed van Tobit en Sara vond verhoring voor de heerlijke troon van de Allerhoogste. En Rafaël, de heilige engel des Heren, werd gezonden, om hen beiden te genezen.

Tussenzang (Ps. 25, 2-4a.4b-5ab.6-7bc.8-9)

Refrein:  Tot U in den hoge richt ik mijn geest, tot U, Heer mijn God.

Op U vertrouw ik, beschaam mij niet, laat niemand de spot met mij drijven.
Want wie op U rekent wordt nimmer beschaamd, beschaamd worden zij die op U niet vertrouwen.
Wijs mij uw wegen, Heer, leer mij uw paden kennen.
Leid mij volgens uw woord, want Gij zijt mijn God en Verlosser.
Gedenk uw barmhartigheid, Heer, uw altijd geschonken ontferming.
Herinner U niet het kwaad van mijn jeugd, maar denk aan mij met erbarmen.
De Heer is goed en rechtschapen, daarom wijst Hij zondaars de weg.
Hij leidt de geringe langs eerzame paden, Hij leert de eenvoudige wat hij moet doen.

Vers voor het evangelie (Ps. 119, 88)

Alleluia. Wees mij barmhartig en laat mij leven, Heer, dan blijf ik aan wat Gij verordent trouw. Alleluia.

Evangelie (Mc. 12, 18-27)

God is geen God van doden maar van levenden

In die dagen kwamen er Sadduceeën bij Jezus, deze houden dat er geen verrijzenis bestaat. Ze legden Hem daarom de volgende kwestie voor: “Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, dan moet zijn broer die vrouw nemen om hem een nageslacht te geven. Nu waren er eens zeven broers. De eerste nam een vrouw, maar liet bij zijn dood geen kinderen na. Toen nam de tweede haar, maar ook hij stierf zonder kinderen. Zo ging het ook met de derde, kortom, geen van de zeven liet kinderen na. Het laatste van allen stierf ook de vrouw. Bij de verrijzenis, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.” Jezus antwoordde: “Zijt gij niet op een dwaalspoor, juist omdat gij nóch de Schrift, nóch Gods macht kent? Wanneer de mensen uit de doden opstaan, huwen zij niet en zij worden niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze als engelen in de hemel. En wat de doden betreft, hebt ge in het boek van Mozes niet gelezen, waar het gaat over de braamstruik, hoe God tot hem zei: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is geen God van doden maar van levenden. Ge verkeert in grote dwaling.”

Donderdag 3 juni  HH. Carolus Lwanga en gezellen, martelaren

Eerste lezing (Tob. 6, 10-11a + 7, 1.9-17 + 8, 4-10)

God heeft u tot mij gezonden, opdat Sara in de echt verbonden zou worden
met iemand van haar volk In die dagen sprak Tobias tot de engel: “Waar wilt gij, dat wij onze intrek nemen?”

De engel antwoordde: “Broeder, vandaag zullen we te gast zijn bij Raguël. Hij is van uw familie. Hij heeft maar één kind, een dochter, die Sara heet.” Daarop begaven ze zich naar de woning van Raguël. Zij gingen binnen en Raguël ontving hen vol vreugde. Nadat Tobias en Rafaël waren uitgesproken liet Raguël een ram slachten en zette hun een welvoorziene tafel voor. Maar toen hij hen uitnodigde, zich aan tafel te zetten, sprak Tobias: “Ik eet of drink hier niet vandaag, vóórdat gij mijn verzoek hebt ingewilligd en mij belooft Sara, uw dochter, te geven.” Toen Raguël dat hoorde, werd hij dodelijk verschrikt, want hij wist, wat die zeven mannen was overkomen, die bij haar waren binnengegaan, daarom vreesde hij, dat ook hem wellicht hetzelfde zou overkomen. Daar Raguël aarzelde en op die vraag maar geen antwoord gaf, sprak de engel tot hem: “Wees niet bevreesd uw dochter aan Tobias te geven, want omdat hij God vreest, is uw dochter voor hem tot vrouw bestemd, daarom juist kon geen ander haar bezitten.” Toen sprak Raguël: “Nu weet ik zeker dat God mijn gebeden en mijn tranen voor zijn aanschijn heeft aanvaard. En ik ben er van overtuigd, dat Hij u daarom tot mij heeft gezonden, opdat zij in de echt verbonden zou worden met iemand van haar volk; twijfel er daarom niet aan, ik geef haar aan u.” Toen nam hij de rechterhand van zijn dochter, legde die in de rechterhand van Tobias, en sprak: “De God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob zij met u, en Hij verenige u, moge Hij zijn zegen ten volle over u uitstorten.” En zij namen perkament en maakten de huwelijksoorkonde op. Daarna gingen zij aan tafel en prezen God. Na de maaltijd, toen het paar in de kamer alleen was, zei Tobias tot Sara: “Sta op; wij moeten vandaag, morgen en overmorgen tot God blijven bidden. “Deze drie nachten blijven wij verbonden met God; eerst als de derde nacht voorbij is, zullen wij ons huwelijksleven beginnen. Wij zijn immers kinderen van de heiligen, en kunnen dus het huwelijk niet beginnen zoals de heidenen, die God niet kennen.” Zij stonden dus beiden op en begonnen samen vurig te bidden, dat zij gespaard mochten blijven. En Tobias sprak: “Heer, God van onze vaderen: dat hemel en aarde U loven, met de zee, de bronnen en de stromen, en met al uw schepselen die er in wonen. Gij hebt Adam geschapen uit het stof der aarde, en hem Eva toegewezen als een hulp. Welnu dan, Heer: Gij weet dat ik deze dochter niet uit wellust tot vrouw heb genomen, maar alleen uit verlangen naar kroost, opdat zij uw naam mogen zegenen in de eeuwen der eeuwen.”
Ook Sara sprak: “Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons, en houd ons beiden gezond tot op onze oude dag.”

Tussenzang (Ps. 128, 1-2.3.4-5)

Refrein:  Gelukkig die godvrezend zijt.

Gelukkig die godvrezend zijt, de weg des Heren gaat.
Gij zult de vrucht van eigen arbeid eten, tevreden en voorspoedig zult gij zijn.
Uw vrouw daarbinnen in uw huis is als een rijkbeladen wijnstok.
En als olijventakken rond de stam, zo staan uw zonen om uw tafel.
Ja, zo wordt elke man gezegend, die eer geeft aan de Heer.

U zegene de Heer uit Sion, moogt gij Jeruzalem welvarend zien, zolang uw dagen duren.

Vers voor het evangelie (Ps. 119, 105)

Alleluia. Uw woord is een lamp voor mijn voeten, Heer, het is een licht op mijn pad. Alleluia.

Evangelie (Mc. 12, 28b-34)

Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee

In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe en legde hij Hem de vraag voor: “Wat is het allereerste gebod?” Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.” Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: “Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf, dat gaat boven alle brand- en slachtoffers.” Omdat Jezus zag, dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: “Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.” En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Vrijdag 4 juni H. Hart van Jezus

Eerste lezing (Tob. 11, 5-17)

Gij hebt me gekastijd, Heer, maar Gij schenkt mij weer genade

In die dagen zat Anna, de vrouw van Tobit, iedere dag langs de weg op een top van een berg, vanwaar zij een ruim vergezicht had. En toen zij op diezelfde plaats weer eens zat uit te zien naar de komst van haar zoon Tobias, zag zij hem reeds in de verte aankomen. Zij herkende hem onmiddellijk, en haastig ging zij het nieuws aan Tobit vertellen en riep: “Daar komt uw zoon aan”. Ondertussen zei Rafaël tot Tobias: “Als gij binnenkomt in uw huis, aanbid dan onmiddellijk de Heer, uw God, en breng Hem uw dank. Ga dan naar uw vader, en kus hem. Bestrijk aanstonds zijn ogen met de gal van de vis, die gij bij u hebt, want ge kunt er zeker van zijn, dat zijn ogen terstond zullen opengaan, zodat uw vader het licht van de hemel kan zien en zich in uw aanblik verheugen.” De hond, die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart. Toen stond de blinde vader op en tastend zocht hij zijn weg; hij strekte zijn handen uit naar zijn kind en liep zo zijn zoon tegemoet. Hij omhelsde hem en kuste hem; zijn vrouw deed evenzo, en beiden schreiden van blijdschap. Toen zij God hadden aanbeden en gedankt, gingen zij zitten. Tobias nam wat van de gal van de vis en streek het zijn vader op de ogen. En na ongeveer een half uur wachten begon de witte vlek, als het velletje van een ei, uit de ogen los te komen. Tobias nam het vast, en trok het zijn vader van de ogen. Op hetzelfde ogenblik ontving hij het gezicht terug. Toen verheerlijkten zij God. Tobit en Anna, en allen, die hen kenden. En Tobit sprak: “Gezegend zijt Gij, God, en gezegend uw heilige naam tot in eeuwigheid, en gezegend al uw heilige engelen. Gij hebt me gekastijd, maar Gij schenkt me weer genade, nu ik mijn zoon Tobias aanschouw.”

Tussenzang (Ps. 146, 2abc.7.8-9a.9bc-10)

Refrein:  De Heer zal ik loven mijn leven lang. Of: Alleluia.
De Heer zal ik loven mijn leven lang, mijn God zal ik al mijn dagen bezingen.
De Heer doet altijd zijn woord gestand, verdrukten verschaft Hij recht.
De Heer geeft brood aan wie honger heeft, gevangenen geeft Hij de vrijheid.
De ogen van blinden opent de Heer, gebrokenen richt Hij weer op.
De Heer bemint de rechtvaardigen, de Heer behoedt de ontheemden.
De Heer geeft wees en weduwe steun, maar zondaars laat Hij verdwalen.
De Heer is koning in eeuwigheid, uw God, Sion, heerst over alle geslachten.

Vers voor het evangelie (Ps. 119, 135)

Alleluia. Laat voor uw dienaar uw Aangezicht stralen, Heer, laat mij uw beschikkingen zien. Alleluia.

Evangelie (Mc. 12, 35-37)

Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Messias Zoon van David is

Bij zijn onderricht in de tempel wierp Jezus eens de vraag op: “Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Messias Zoon van David is? David heeft zelf gezegd, door de heilige Geest bewogen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd. Als David zelf Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?” Het merendeel van het volk luisterde graag naar Hem.

Zaterdag 5 juni HH. Bonifatius, bisschop, en gezellen, martelaren, bijpatronen van het bisdom Haarlem-Amsterdam

Eerste lezing (Tob. 12, 1.5-15.20)

Ik stijg op naar Hem die mij gezonden heeft Looft de Heer en verkondigt al zijn wondere daden

In die dagen riep Tobit zijn zoon bij zich en sprak tot hem: “Wat kunnen wij geven aan deze heilige man, die u begeleid heeft?” Daarop riepen zij de man terzijde en vroegen hem, of hij de helft van alles, wat zij hadden meegebracht, zou willen aanvaarden. Toen zei de engel tot hen: “Prijst God in de hemel en looft Hem ten aanzien van al wat leeft, want Hij heeft u barmhartigheid bewezen. Men doet er goed aan de geheimen der koningen te bewaren, maar Gods daden bekend maken is eervol voor zijn dienaars. Bidden en vasten is uitstekend en liefdadigheid is beter dan het oppotten van schatten goud. Want het schenken van aalmoezen redt van de dood, het reinigt van de zonden en verdient barmhartigheid en eeuwig leven. Maar de zondaars en ongerechtige zijn de vijanden van hun eigen leven. Ik ga u de waarheid zeggen en u niets verborgen houden. Wanneer gij onder tranen hebt gebeden en uw ontbijt liet staan om de doden te begraven, overdag de doden verborgt in uw huis om ze in de nacht te begraven, toen heb ik uw gebed aan de Heer opgedragen. Maar omdat gij God welgevallig waart, moest gij ook door lijden worden beproefd. Nu heeft God mij gezonden om uw blindheid te genezen en uw schoondochter Sara van de kwade geest te verlossen. Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die staan voor de troon van Gods heerlijkheid en Hem de gebeden der heiligen aanbieden. Nu is het tijd, dat ik terugkeer naar Hem, die mij gezonden heeft; gij echter, looft de Heer en verkondigt al zijn wondere daden.”

Tussenzang (Tob. 13, 2.6.7.8)

Refrein:  Geprezen zij God, die in eeuwigheid leeft of Alleluia

Hij is het die slaat en die zich ontfermt, die leidt naar de dood en herleven doet, geen mens kan zijn hand ontvluchten.
Bedenkt dus wat gij van Hem kunt verwachten en dankt Hem met luide stem.
Verheerlijkt de Heer, die rechtvaardig is, verkondigt de lof van de koning der eeuwen.
Ik zal in dit land van verbanning Hem eren, zijn macht laten zien aan dit zondige volk.
Gij zondaar, bekeer u en doe wat Hem aanstaat, dan zal Hij u zeker barmhartig zijn.

Vers voor het evangelie (Ps. 130, 5)

Alleluia. Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik. Alleluia.

Evangelie (Mc. 12, 38-44)

Die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen

In die tijd gaf Jezus bij zijn onderricht ook deze waarschuwing: “Wacht u voor de schriftgeleerden, die graag in lange gewaden rondlopen, die zich laten groeten op de markt, belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden, maar die de huizen der weduwen opslokken, terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten, over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken.” Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen. Er kwam ook een arme weduwe die er twee penningen, ter waarde van een cent, in wierp. Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak: “Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen, die iets in de offerskist wierpen; allen wierpen ze er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest.”

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad” (Psalm 119)

 

Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom via Ideal op onze doneerpagina of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99 t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.

Hartelijk dank voor uw gave.

Noveengebed om bescherming tegen het coronavirus

O goede Moeder, Onze Lieve Vrouw ter Nood, Wij geloven in uw zorg, in uw medeleven en uw voorspraak bij Jezus uw Zoon. Daarom komen wij vol vertrouwen tot u en wij vragen door U aan de Heer:

Bevrijd heel de wereld van de Corona-epidemie, genees en sterk de zieken en zegen hen die zorg voor hen dragen. Sta alle mensen bij die lijden onder de gevolgen van deze crises. Geef wijsheid aan onze bestuurders.

Bevrijd ons van onrust en angst, verlicht ons in pijn en verdriet. Geef ons hoop waar wij het niet meer zien zitten, geef ons kracht als wij er niet tegenop kunnen, geef ons licht waar het donker is en geef dat wij elkaar spoedig weer in vrijheid en vreugde nabij kunnen zijn.
Maria, bescherm ons en onze dierbaren, geef ons overgave aan de wil van de Vader en leid ons veilig naar Jezus, uw Zoon. Amen.

Gebed van de Vrouwe van alle volkeren

Heer Jezus Christus, zoon van de Vader zend nu Uw Geest over de aarde. Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog. Moge de Vrouwe van alle Volkeren, de heilige Maagd Maria, onze voorspreekster zijn. Amen.

Gebed tot de Aartsengel Michaël

Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd. Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem zijn macht doet gevoelen en Gij, vorst der hemelse legerscharen, drijf satan en de andere boze geesten die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.

De Engel des Heren

 De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt

En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest

 

Wees gegroet, Maria Vol van genade, de Heer is met U

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen

En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot

Heilige Maria, Moeder van God

Bid voor ons, zondaars

Nu en in het uur van onze dood

 

Zie de dienstmaagd des Heren

Mij geschiede naar uw woord

 

Wees gegroet, Maria . . .

 

En het Woord is vlees geworden, en Het heeft onder ons gewoond

 

Wees gegroet, Maria . . .

 

Bid voor ons, heilige Moeder van God, opdat wij de beloften van Christus waardig worden

 

Laat ons bidden

 

Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel de menswording van Christus, uw Zoon, leren kennen

Wij bidden U stort uw genade in onze harten opdat wij door zijn lijden en kruis

gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis

Door Christus, onze Heer

Amen