Lezingen van de dag: Dagelijks Brood 19 – 24 november 2018

olv-ter-nood-heiloo-opdracht-van-maria-tempel

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van maandag 19 t/m zaterdag 24 november 2018, 33e week door het jaar

U kunt hier deze week downloaden in PDF

Maandag 19 november

Eerste lezing (Apok. 1, 1-4; 2, 1-5a)
Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om aan zijn dienstknechten te tonen wat spoedig moet gebeuren. Hij heeft zijn engel gezonden om haar mee te delen aan zijn dienstknecht Johannes. Deze getuigt van het woord Gods en het getuigenis van Jezus Christus, van al wat hij gezien heeft. Zalig de voorlezer en zalig de hoorders van de woorden van deze profetie, als zij in acht nemen wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij. Johannes aan de zeven kerken in Asia: Genade zij u en vrede van Hem “die is en die was en die komt”, en van de zeven geesten voor zijn troon. Ik, Johannes, hoorde een stem die sprak: “Schrijf aan de engel van de kerk te Efeze: Zo spreekt Hij, die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en wandelt tussen de zeven gouden luchters. Ik ken uw daden, uw inspanning en uw standvastigheid. Ik weet dat gij slechte mensen niet kunt verdragen. Hen die zich apostelen noemen, maar het niet zijn, hebt gij op de proef gesteld en leugenaars bevonden. Ook hebt gij standvastigheid, gij hebt om Mijnentwil zware lasten gedragen zonder te bezwijken. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven. Bedenk van hoe hoog gij gevallen zijt. Bekeer u, gedraag u weer zoals vroeger.”

Tussenzang (Ps. 1)
Refrein: Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de boom des levens (Apok. 2, 7b).
Gelukkig de man, die weigert te doen wat goddelozen hem raden, die niet de wegen der zondaars gaat, niet zit te midden der spotters, maar die zijn geluk vindt in ‘s Heren wet, haar dag en nacht overweegt.
Hij is als een boom, aan het water geplant, die vruchten draagt op zijn tijd, des zomers verdorren zijn bladeren niet, maar al wat hij doet brengt hem voorspoed.
De goddelozen vergaat het zo niet: de wind blaast hen weg als kaf. De Heer immers let op de weg der gerechten, de weg van de zondaars loopt dood.

Vers voor het evangelie (1 Sam.)
Alleluia. Spreek, Heer, uw dienaar luistert, uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Alleluia.

Evangelie (Lc. 18, 35-43)
Toen Jezus eens Jericho naderde, zat er langs de weg een blinde te bedelen. De man hoorde veel volk voorbijtrekken en vroeg wat er te doen was. Men vertelde hem, dat Jezus de Nazoreeër voorbijging. Nu begon hij te roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!” Die voorop liepen snauwden hem toe te zwijgen, maar hij riep nog veel harder: “Zoon van David, heb medelijden met mij!” Jezus bleef staan en gebood, dat de blinde bij Hem gebracht zou worden. Toen de blinde naderbij gekomen was vroeg Jezus hem: “Wat wilt ge dat Ik voor u doe?” Hij antwoordde: “Heer, maak dat ik zien kan!” Jezus sprak tot hem: “Word ziende! Uw geloof heeft u genezen.” En terstond kon hij zien en hij volgde Jezus, terwijl hij God verheerlijkte. Toen heel het volk dat zag, bracht het eer aan God.

Dinsdag 20 november

Eerste lezing (Apok. 3, 1-6.14-22)
Ik, Johannes, hoorde een stem die sprak: “Schrijf aan de engel van de kerk te Sardes: Zo spreekt Hij die de zeven geesten Gods en de zeven sterren heeft. Ik ken uw daden, gij hebt de naam, dat gij leeft, maar gij zijt dood. Word wakker, herstel wat u rest aan leven en dreigt te sterven. Geen van uw daden heb Ik volwaardig bevonden voor het oog van mijn God. Denk aan het woord, dat gij ontvangen en gehoord hebt; bewaar het en kom tot inkeer. Als gij niet ontwaakt zal Ik komen als een dief, en gij weet niet op welk uur Ik u zal verrassen. Maar gij hebt er enkelen in Sardes, die hun kleren niet hebben bezoedeld. Die zullen Mij begeleiden in witte gewaden, want zij hebben het verdiend. Wie overwint, zal aldus in het wit gekleed gaan. En Ik zal zijn naam niet uitwissen uit het boek des levens, maar zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen. Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt. En schrijf aan de engel van de kerk te Laodicéa: Zo spreekt ‘Amen’, de getrouwe en waarachtige getuige, de oorsprong van de schepping Gods: Ik ken uw daden, gij zijt noch koud noch heet. Waart gij maar koud of heet! Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom zal Ik u uitbraken uit mijn mond. Gij zegt: Ik ben rijk, want ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij beseft niet, dat gij meer dan allen, ellendig zijt en erbarmelijk, een blinde en naakte bedelaar. Volg mijn raad en koop van Mij goud, in vuur gelouterd, om rijk te worden, en witte kleren om u te bekleden en om de schande van uw naaktheid te bedekken, en zalf om op uw ogen te strijken, zodat gij weer ziet. Wie Ik liefheb, die bestraf en tuchtig Ik. Welaan, wees edelmoedig, kom tot inkeer! Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij. Wie overwint, hem zal Ik naast Mij plaatsen op mijn troon, zoals Ik zelf heb overwonnen en met mijn Vader zetel op zijn troon. Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt.”

Tussenzang (Ps. 14)
Refrein: Wie overwint, hem zal Ik naast Mij plaatsen op mijn troon (Apok. 3, 21).
Wie rechtvaardig is en eerbaar leeft, in zijn hart geen boze plannen koestert, geen bedrog pleegt met zijn tong;
wie zijn evenmens geen schade doet en zijn buren niet te schande zet; wie de boosdoener veracht, maar de dienaars van de Heer in ere houdt;
zijn bezit niet uitleent tegen woeker, als getuige niet omkoopbaar is. Wie zich zo gedraagt zal niet wankelen in eeuwigheid.

Vers voor het evangelie (Ps. 19/18, 9)
Alleluia. Uw voorschriften, Heer, zijn betrouwbaar, onwetenden maken zij wijs. Alleluia.

Evangelie (Lc. 19, 1-10)
In die tijd ging Jezus Jericho binnen. Terwijl Hij er doorheen trok, poogde een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man, te zien wie Jezus was. Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte. Om Hem toch te zien, liep hij hard vooruit en hij klom in een wilde vijgenboom, omdat Jezus daar langs zou komen. Toen Jezus bij de plaats kwam keek Hij omhoog en zei tot hem: “Zacheüs, klim vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn.” Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap. Allen zagen dat en merkten morrend op: “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!” Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug.” Jezus sprak tot hem: “Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken, en om te redden wat verloren was.”

Woensdag 21 november – Opdracht van de Heilige Maagd Maria

Eerste lezing (Apok. 4, 1-11)
Ik, Johannes, had het volgende visioen: Ik zag een deur in de hemel, die open stond en de stem, luid als een trompet, die ik al eerder tot mij had horen spreken riep: “Kom hier omhoog, dan zal ik u tonen wat hierna geschieden moet.” Aanstonds raakte ik in geestvervoering. En zie, er stond een troon in de hemel en op de troon was Iemand gezeten. En Die erop gezeten was, was van aanzien gelijk jaspissteen en karneool. En rond de troon was een regenboog, helder als smaragd. Vierentwintig tronen omringden de troon en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, gekleed in witte gewaden, met gouden kronen op het hoofd. Van de troon gingen bliksemstralen uit en dreunende donderslagen. En zeven vurige fakkels brandden vóór de troon; dit zijn de zeven geesten Gods. En vóór de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En rondom de troon waren vier dieren, bezaaid met ogen voor en achter. En het eerste dier geleek op een leeuw, en het tweede op een jonge stier, en het derde dier had een gelaat als van een mens, en het vierde dier geleek op een adelaar in zijn vlucht. En de vier dieren hadden elk zes vleugels; rondom en van binnen zijn zij met ogen bezet. En zij roepen zonder rusten dag en nacht: “Heilig, heilig, heilig, Heer, God, Albeheerser, die was en die is en die komt.” En telkens als de dieren heerlijkheid, eer en dank brengen aan Hem, die op de troon is gezeten, en die leeft in de eeuwen der eeuwen, vallen de vierentwintig oudsten neer voor Hem, die op de troon is gezeten, om Hem te aanbidden, die leeft in de eeuwen der eeuwen. En zij werpen hun kronen neer voor de troon, zeggend: “Waardig zijt Gij, onze Heer en onze God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de macht; want Gij hebt het heelal geschapen, door uw wil ontstond het en werd het geschapen.”

Tussenzang (Ps. 150)
Refrein: Heilig, heilig, heilig, Heer, God, Albeheerser (Apok. 4, 8b).
Of: Alleluia.
Looft de Heer in zijn paleis, looft Hem in zijn hoge hemel. Looft Hem om zijn grote daden, looft Hem om zijn majesteit.
Looft Hem met bazuingeschal, looft de Heer met harp en citer. Looft Hem met timpaan en reidans, looft Hem met gitaar en fluit.
Looft Hem met geklep van bekkens, looft Hem met cimbaal-gerinkel: al wat ademt: looft de Heer.

Vers voor het evangelie (Ps. 25/24)
Alleluia. Leer mij uw paden kennen, Heer, leid mij volgens uw woord. Alleluia.

Evangelie (Lc. 19, 11-28)
In die tijd was Jezus dichtbij Jeruzalem gekomen, en daar men meende, dat het Rijk Gods onmiddellijk ging verschijnen, vertelde Hij deze gelijkenis: “Een man van hoge geboorte ging op reis naar een ver land om het koningschap te verkrijgen en dan terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaars, gaf hun tien pond en sprak tot hen: Doet daar tijdens mijn afwezigheid zaken mee. Zijn landgenoten evenwel haatten hem en stuurden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt. Toen hij was teruggekeerd, na het koningschap toch verkregen te hebben, liet hij die dienaars roepen aan wie hij zijn geld gegeven had. De eerste kwam en zei: Heer, uw pond heeft er tien opgeleverd. Hij antwoordde: Uitstekend, goede dienaar! Omdat gij in iets kleins trouw zijt geweest, zult gij gezag hebben over tien steden. Daarop kwam de tweede en sprak: Heer, uw pond heeft er vijf opgebracht. Ook hem antwoordde de heer: En gij, gij zult macht hebben over vijf steden. Toen kwam de derde en zei: Heer, hier is uw pond; ik heb het weggestopt in een doek en zo bewaard; ik had angst voor u, omdat ge een streng man zijt, die terugeist wat ge niet hebt uitgezet en die oogst wat ge niet hebt gezaaid. Aan hem antwoordde de heer: Met je eigen woorden zal ik je veroordelen, slechte knecht. Je wist, dat ik een streng man ben, die terugeist wat ik niet heb uitgezet en die oogst wat ik niet gezaaid heb. Waarom heb je dan mijn geld niet naar de bank gebracht? Dan had ik het bij mijn terugkomst met rente kunnen opvragen. En aan degenen die er bij stonden, beval hij: Neemt hem dat pond af en geeft het aan hem, die de tien ponden heeft. Ze wierpen op: Heer, die heeft al tien ponden. Maar hij ging verder. Ik zeg u: Aan ieder die heeft, zal gegeven worden, maar aan wie niet heeft, zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft. En die vijanden van mij, die mensen die niet wilden dat ik koning over hen werd: brengt ze hier en steekt ze voor mijn ogen neer.” Nadat Jezus deze woorden gesproken had, trok Hij verder en ging op naar Jeruzalem.

Donderdag 22 november – H. Cecilia, maagd en martelares

Eerste lezing (Apok. 5, 1-10)
Ik, Johannes, zag in de rechterhand van Hem, die op de troon is gezeten, een boekrol, beschreven van binnen en van buiten en verzegeld met zeven zegels. En ik zag een machtige engel, die riep met luide stem: “Wie is waardig het boek te openen en zijn zegels te verbreken?” Maar niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde was bij machte het boek te openen en te lezen. En ik weende zeer, omdat niemand waardig werd bevonden het boek te openen en te lezen. Toen zei een van de oudsten tot mij: “Ween niet. De Leeuw uit de stam Juda, de Wortel van David, Hij heeft overwonnen. Hij zal het boek openen en de zeven zegels verbreken.” Toen zag ik tussen de troon met de vier dieren en de kring van de oudsten een Lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen, dit zijn de zeven geesten Gods, uitgezonden over heel de aarde. Hij kwam naderbij en nam het boek uit de rechterhand van Hem, die op de troon is gezeten. En toen Hij het boek genomen had, vielen de vier dieren neer voor het Lam; en ook de vierentwintig oudsten, elk met een citer in de hand en met gouden schalen vol reukwerk, dat zijn de gebeden van de heiligen. En zij zongen een nieuw lied: “Waardig zijt Gij, het boek te nemen en zijn zegels te openen, want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen gekocht voor God met uw bloed uit elke stam en taal en volk en natie. En Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk van priesters, en zij zullen heersen op de aarde.”

Tussenzang (Ps. 149)
Refrein: Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk van priesters (Apok. 5, 10).
Of: Alleluia.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zijn lof weerklinke te midden der zijnen. Israël juiche zijn Schepper toe, laat Sions zonen hun koning begroeten.
Looft zijn Naam in een heilige dans, bespeelt voor Hem harp en citer. Want onze Heer, die zijn volk bemint, omkranst de verdrukte met zegekransen.
Jubelt dus, heiligen, om uw triomf, viert feest in uw legerplaatsen; gaat met het lied van God in uw mond, een taak die zijn vromen tot eer strekt.

Vers voor het evangelie (Ps. 27/26)
Alleluia. Toon mij uw weg, Heer, bij tegenstand, leid mij langs effen paden. Alleluia.

Evangelie (Lc. 19, 41-44)
In die tijd naderde Jezus Jeruzalem. Hij liet zijn blik over de stad gaan en weende over haar terwijl Hij zei: “Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt! Maar nu is dat voor uw ogen verborgen. Er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen, u omsingelen en u van alle kanten insluiten; zij zullen u, met uw kinderen die in u wonen, neersmakken en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt erkend waarin barmhartig op u werd neergezien.”

Vrijdag 23 november – H. Clemens I, paus en martelaar; H. Columbanus, abt

Eerste lezing (Apok. 10, 8-11)
Ik, Johannes, hoorde de stem die ik uit de hemel gehoord had, opnieuw tot mij spreken: “Ga, neem het geopende boek, dat ligt in de hand van de engel, die op de zee en op het land staat.” En ik ging naar de engel en vroeg hem mij het boekje te geven. En hij zei: “Neem het en eet het op. Het zal bitter zijn in uw lijf, maar in uw mond zoet als honing.” En ik nam het boekje uit de hand van de engel en ik at het op. En het smaakte in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het had doorgeslikt, vulde bitterheid mijn lijf. Toen werd mij gezegd: “Gij moet opnieuw profeteren over vele volken en naties en talen en koningen.”

Tussenzang (Ps. 118)
Refrein: Hoe heerlijk smaken mij uw beloften, als honing zijn zij in mijn mond.
Mijn vreugde vind ik in wat Gij verordent, dat is mijn rijkste bezit. Ik neem uw verordeningen ter harte, zij geven mij goede raad.
De wet uit uw mond is mij meer waard dan schatten van zilver en goud. Hoe heerlijk smaken mij uw beloften, als honing zijn zij in mijn mond.
Mijn erfdeel is altijd wat Gij verordent, dat is de vreugd van mijn hart. Mijn mond sper ik hijgend open, zo snak ik naar uw gebod.

Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 18)
Alleluia. Ontsluit mijn ogen om te aanschouwen, Heer, de heerlijkheid van uw wet. Alleluia.

Evangelie (Lc. 19, 45-48)
In die tijd ging Jezus de tempel binnen en begon de verkopers er uit te jagen, terwijl Hij tot hen zei: “Er staat geschreven: Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.” Dagelijks gaf Hij in de tempel onderricht. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de vooraanstaanden van het volk zochten een gelegenheid om Hem ter dood te brengen, maar zij zagen geen kans om wat dan ook te doen, want al het volk hing aan zijn lippen.

Zaterdag 24 november – HH. Andreas Dung-Lac, priester en gezellen, martelaren

Eerste lezing (Apok. 11, 4-12)
Tot mij, Johannes, werd het volgende gezegd: “Dit zijn de twee olijfbomen en de twee luchters, die voor de Heer der aarde staan. Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond om hun vijanden te verteren, ja, wie hun kwaad wil doen moet aldus sterven. Zij hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de tijd dat zij profeteren, en zij hebben macht over de wateren om ze in bloed te veranderen, en macht om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen. Maar als zij hun getuigenis hebben voleindigd zal het Beest dat uit de Afgrond opstijgt, oorlog met hen voeren en het zal hen overwinnen en doden. En op het plein van de grote stad – die zinnebeeldig Sodom en Egypte heet – alwaar ook hun Meester werd gekruisigd, zullen hun lijken liggen voor de ogen van de volken en stammen en talen en naties, drieëneenhalve dag lang, en men duldt niet dat zij begraven worden. En de bewoners der aarde maken zich vrolijk over hen en zij vieren feest en sturen elkaar geschenken, want deze twee profeten waren voor hen een kwelling. Maar na die drieëneenhalve dag voer in hen een levensgeest uit God en zij kwamen overeind en grote vrees overviel allen, die hen zagen. En zij hoorden een stem uit de hemel tot hen zeggen: Stijgt op hierheen, en ten aanschouwen van hun vijanden stegen zij in een wolk ten hemel.”

Tussenzang (Ps. 144/143)
Refrein: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.
Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots, Hij maakte mijn armen sterk in de strijd, mijn handen bekwaam in het vechten.
Mijn steun en mijn burcht, mijn beschermer en redder, mijn schild en mijn toevlucht, die volken bedwingt.
Dan zing ik voor U een nieuw lied, mijn God, dan speel ik voor U op de lier. Voor U die aan koningen zegepraal schenkt, die David, uw dienaar, gered hebt.

Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 27)
Alleluia. Leid mij op de weg van uw bevelen, Heer, dan zal ik uw daden indachtig zijn. Alleluia.

Evangelie Lc. 20, 27-40)
In die tijd kwamen er enigen van de Sadduceeën, die de verrijzenis loochenen bij Jezus met de vraag: “Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemand een getrouwde broer heeft, die kinderloos sterft, dan moet zijn broer diens vrouw nemen om aan zijn broer een nageslacht te geven. Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. De tweede en de derde namen de vrouw en op dezelfde manier stierven alle zeven zonder kinderen na te laten. Het laatste stierf ook de vrouw. Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.” Jezus sprak tot hen: “De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. Zij kunnen immers niet meer sterven, omdat zij gelijk engelen zijn, en, als kinderen van de verrijzenis, zijn zij kinderen van God. Dat de doden verrijzen, heeft ook Mozes aangeduid waar het gaat over de braamstruik, doordat hij de Heer noemt de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob. De Heer is toch geen God van doden, maar van levenden want voor Hem zijn allen levend.” Sommigen van de schriftgeleerden merkten op: “Meester, dat hebt Gij goed gezegd.” Zij waagden het dan ook niet meer Hem nog maar iets te vragen.

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”
(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl

share