Dagelijks Brood: Lezingen van maandag t/m zaterdag 4 t/m 9 feruari2019

olv-ter-nood-heiloo-heilige-agatha

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood: Lezingen van maandag t/m zaterdag 4 t/m 9 feruari 2019
4e week door het jaar

U kunt deze week downloaden via deze link (PDF)

Maandag 4 februari

Eerste lezing (Hebr. 11, 32-40)

Broeders en zusters, wat zal ik nog meer zeggen? De tijd ontbreekt me om te verhalen van Gideon, Barak, Simson en Jefta, van David en Samuël en de profeten. Door het geloof hebben zij koninkrijken omvergeworpen, gerechtigheid uitgeoefend, de vervulling van beloften afgedwongen. Zij hebben leeuwen de muil gesloten, de gloed van vuur gedoofd, ze ontsnapten aan het scherp van het zwaard. Hun zwakheid werd kracht, ze werden machtig in de oorlog, en dreven vijandelijke legers op de vlucht. Vrouwen kregen hun doden terug door opstanding uit de dood. Anderen werden ten dode gefolterd en wezen hun vrijlating af om een betere opstanding te verwerven. Weer anderen hadden spot en slagen te verduren en boeien en opsluiting. Zij werden gestenigd, doormidden gezaagd, terechtgesteld met het zwaard. Zij zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, ten prooi aan ontbering, vervolging, mishandeling. Zij waren te goed voor deze wereld. Ze vluchtten in woestijnen en op de bergen, ze verborgen zich in spelonken en holen in de grond. Ook zij hebben zich allen een naam verworven door hun geloof. Toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. God had met ons iets beters voor en wilde niet dat zij hun voleinding zouden bereiken zonder ons.

Tussenzang (Ps. 31/30)

Refrein: Schept moed en weest onverschrokken, gij allen die hoopt op de Heer.
Hoe groot zijn uw weldaden, Heer, die Gij hebt bestemd voor hen die U vrezen. Gij schenkt ze aan ieder die tot U komt, voor alle mensen waarneembaar.
De glans van uw Aanschijn beschermt hem altijd, als mensen zich tegen hem keren. Gij neemt hem op in uw tent, beschut tegen kwade tongen.
Gezegend de Heer, want zijn wondere goedheid heeft mij beschermd als een vestingstad. Verslagen en moedeloos heb ik gezegd: Gij hebt mij geheel uit het oog verloren. Maar neen, Gij hebt mijn smeken gehoord, mijn stem die luid tot U riep.
Bemint dan de Heer, al zijn vromen, de Heer behoedt alwie trouw blijft aan Hem. Maar wie zich in hoogmoed tegen Hem keert, betaalt Hij met woeker terug.

Vers voor het evangelie (cf. Lc. 8, 15)

Alleluia. Zalig zij, die het Woord Gods, dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid. Alleluia.

Evangelie (Mc. 5, 1-20)

In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen aan de overkant van het meer in het land van de Gerasenen. Nauwelijks was Hij uit de boot gestapt, of daar liep Hem uit de grotspelonken een man tegemoet, die in de macht was van een onreine geest. Hij huisde in de graven en niemand was meer in staat hem zelfs met een ketting te boeien, want al meermalen was hij in voet- en handboeien geketend geweest, maar de handboeien had hij uit elkaar getrokken en de voetboeien verbrijzeld. Niemand was dus bij machte hem te overweldigen. Dag en nacht was hij onafgebroken in de grafspelonken en in de bergen aan het schreeuwen en beukte zichzelf met stenen. Toen hij in de verte Jezus zag, snelde hij op Hem toe en viel Hem te voet. Luid schreeuwend riep hij: “Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, kwel mij niet!” Want Hij had hem gezegd: “Onreine geest, ga weg uit die man.” Daarop vroeg Jezus hem: “Wat is uw naam?” Hij antwoordde: “Mijn naam is Legioen want wij zijn met velen.” En hij smeekte Jezus met aandrang dat Hij hen niet uit de streek zou wegjagen. Nu was men daar tegen de berghelling een grote kudde zwijnen aan het hoeden. Zij smeekten Hem: “Stuur ons in die zwijnen en laat ons daarin gaan.” Hij stond het hun toe. De onreine geesten gingen uit de bezetene, voeren in de zwijnen en de troep stortte zich van de steile oever in het meer, ongeveer tweeduizend, en ze verdronken. De zwijnenhoeders namen de vlucht en vertelden het in de stad en op het land. Daarop kwamen de mensen kijken wat er gebeurd was. Zij kwamen naar Jezus toe en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, dezelfde die in de macht van Legioen geweest was, en ze werden door vrees bevangen. Die het gezien hadden, verhaalden hun hoe het gegaan was met de bezetene, en vertelden ook over de zwijnen. Daarop begonnen ze bij Hem aan te dringen hun streek te verlaten. Maar toen Jezus in de boot stapte verzocht de man, die bezeten geweest, was bij Hem te mogen blijven. Jezus stond dit echter niet toe, maar zei hem: “Ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe hij u barmhartigheid heeft bewezen.” De man ging heen en begon in Dekápolis alles te verkondigen wat Jezus aan hem gedaan had. En allen stonden verbaasd.

Dinsdag 5 februari – H. Agatha,
maagd en martelares

Eerste lezing (Hebr. 12, 1-4)

Broeders en zusters, laten wij ons aansluiten bij de menigte getuigen van het geloof, en elke last en belemmering van de zonde van ons afschudden, om vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor we hebben ingeschreven. Ziet naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof. In plaats van de vreugde, die Hem toekwam, heeft Hij een kruis op zich genomen en de schande niet geteld: nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon. Denkt aan Hem, die zoveel tegenwerking van zondaars te verduren had; dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven. Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost.

Tussenzang (PS. 22/21)

Refrein: Allen die God zoeken, prijzen Hem.
Voor heel de gemeente zal ik U prijzen, Heer, U danken voor het oog van de godvrezenden.
De armen zullen eten en verzadigd worden, en allen die God zoeken, prijzen Hem, hun moed zal weer herleven.
Dan zullen alle landen van de aarde de Heer gedenken en zich tot Hem keren; en nedervallen zullen voor zijn Aangezicht de stammen en de volken overal. Die rusten in de aarde zullen Hem aanbidden, en voor Hem zal buigen wie afdaalt in het stof.
Mijn ziel zal voor zijn Aanschijn blijven leven, mijn nageslacht zal steeds zijn dienaar zijn. Het zal verhalen van de Heer aan het geslacht dat komt, van zijn gerechtigheid aan die geboren worden: dit heeft de Heer gedaan.

Vers voor het evangelie (Joh. 6, 64b, 69b)

Alleluia. Uw woorden, Heer, zijn geest en leven; uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Alleluia.

Evangelie (Mc. 5, 21-43)

Toen Jezus weer met de boot overgestoken was stroomde veel volk bij Hem samen. Terwijl Hij zich aan de oever van het meer bevond kwam er een zekere Jaïrus, de overste van de synagoge. Toen hij Hem zag, viel hij Hem te voet en smeekte Hem met aandrang: “Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven, kom toch haar de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven.” Jezus ging met hem mee. Een dichte menigte vergezelde Hem en drong van alle kanten op. Er was een vrouw bij, die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed. Zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters en haar gehele vermogen uitgegeven, maar zonder er baat bij te vinden; integendeel, het was nog erger met haar geworden. Omdat zij over Jezus gehoord had, drong zij zich in de menigte naar voren en raakte zijn mantel aan. Want ze zei bij zichzelf: “Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik al genezen zijn.” Terstond hield de bloeding op en werd ze aan haar lichaam gewaar, dat ze van haar kwaal genezen was. Op hetzelfde ogenblik was Jezus zich bewust, dat er een kracht van Hem was uitgegaan; Hij keerde zich te midden van de menigte om en vroeg: “Wie heeft mijn kleren aangeraakt ?” Zijn leerlingen zeiden tot Hem: “Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt en Gij vraagt: Wie heeft Mij aangeraakt?” Maar Hij liet zijn blik rondgaan om te zien wie dat gedaan had. Wetend wat er met haar gebeurd was, kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen en bekende Hem de hele waarheid. Toen sprak Hij tot haar: “Dochter, uw geloof heeft u genezen. “Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.” Hij was nog niet uitgesproken of men kwam uit het huis van de overste van de synagoge met de boodschap: “Uw dochter is gestorven. Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?” Jezus ving op wat er bericht werd en zei tot de overste van de synagoge: “Wees niet bang, maar blijf geloven.” Hij liet niemand met zich meegaan, behalve Petrus, Jakobus, en Johannes, de broer van Jakobus. Toen zij aan het huis van de overste kwamen, zag Hij het rouwmisbaar van mensen, die luid weenden en weeklaagden. Hij ging naar binnen en zei tot hen: “Waarom dit misbaar en geween? Het kind is niet gestorven maar slaapt.” Doch ze lachten Hem uit. Maar Hij stuurde ze allemaal naar buiten en ging met zijn metgezellen en de vader en moeder van het kind het vertrek binnen waar het kind lag. Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar: “Talita koemi”; wat vertaald betekent: Meisje, Ik zeg je, sta op. Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond want het was twaalf jaar. En ze stonden stom van verbazing. Hij legde hun nadrukkelijk op, dat niemand het te weten mocht komen, en voegde eraan toe dat men haar te eten moest geven.

Woensdag 6 februari – HH. Paulus Miki, en gezellen, martelaren;
H. Amandus, bisschop

Eerste lezing (Hebr. 12, 4-7.11-15)

Broeders en zusters, uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost. Ge zijt het schriftwoord vergeten, dat u als kinderen aanspreekt en vermaant: “Kind, minacht de tucht van de Heer niet, laat u door zijn straf niet ontmoedigen. Want de Heer tuchtigt hen, die Hij liefheeft, Hij straft ieder die Hij als zijn kind erkent.” Het lijden dient om u te verbeteren en op te voeden; God behandelt u als kinderen. Ieder kind wordt wel ooit door zijn vader gestraft. Tucht is nooit prettig, op het moment zelf is er meer verdriet dan blijdschap; maar op lange termijn levert ze voor degenen, die zich door haar lieten vormen, de heilzame vrucht op van een heilig leven. Daarom, heft op de slappe handen, strekt de wankele knieën, laat uw voeten rechte wegen gaan; het kreupele lid mag niet ontwricht worden, maar moet genezen. Streeft naar vrede met alle mensen en naar een heilig leven, want zonder dat zal niemand de Heer zien. Past op dat niemand van u de genade van God verspeelt. Laat geen bitter, schadelijk onkruid opkomen, dat uw hele gemeente vergiftigt.

Tussenzang (Ps. 103/102)

Gods erbarmen blijft altijd en eeuwig, rechtvaardig is Hij voor geslacht na geslacht.
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer, zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen! Verheerlijk, mijn ziel, de Heer, vergeet zijn weldaden niet!
Zo zeer als een vader zijn kinderen liefheeft, zo zeer heeft de Heer zijn dienaren lief. Hij weet toch waaruit Hij de mens heeft gemaakt, Hij denkt er aan dat wij slechts stof zijn.
Maar Gods erbarmen blijft altijd en eeuwig, rechtvaardig is Hij voor geslacht na geslacht, voor allen die trouw zijn verbond onderhouden.

Vers voor het evangelie (Joh. 8, 12)

Alleluia. Ik ben het licht der wereld, zegt de Heer; wie Mij volgt zal het licht des levens bezitten. Alleluia.

Evangelie (Mc. 6, 1-6)

In die tijd begaf Jezus zich naar zijn vaderstad en zijn leerlingen gingen met Hem mee. Toen het sabbat was, begon Hij te onderrichten in de synagoge. De talrijke toehoorders vroegen verbaasd: “Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid, die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten? Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” En zij namen er aanstoot aan. Maar Jezus sprak tot hen: “Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn eigen stad, bij zijn verwanten en in zijn eigen kring.” Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas, die Hij de handen oplegde. Hij stond verwonderd over hun ongeloof.

Donderdag 7 februari

Eerste lezing (Hebr. 12, 18-19.21-24)

Broeders en zusters, bedenkt waar gij staat: gij zijt niet genaderd tot een tastbare berg en een laaiend vuur, met duisternis, donderwolken en stormwind, waar de trompet klonk en de stem de woorden sprak, en die haar hoorden smeekten dat zij niet langer tot hen zou spreken. En wat ze zagen, was zo verschrikkelijk dat Mozes uitriep: “Ik sidder van angst.” Neen, gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en de duizendtallen engelen, de feestelijke en plechtige vergadering van de eerstgeborenen, die in de hemel zijn ingeschreven, gij zijt genaderd tot God, de rechter van allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed iets beters afroept dan het bloed van Abel.

Tussenzang (Ps. 48/47)

Wij vieren uw goedertierenheid, God, hier binnen uw tempelmuren.
Groot is de Heer, Hij zij hoog geprezen in onze Godsstad Jeruzalem. Zijn heilige berg rijst daar schitterend op, een vreugde voor ieder op aarde.
Voor ons is de Sion de Godenberg, de stad van de Grote Koning. God zelf, die binnen haar burchten verblijft, Hij toont zich een veilige vesting.
Alwat wij gehoord hebben zien wij nu zelf in onze Godsstad Jeruzalem. De stad van de Heer der hemelse legers, God houdt haar voor eeuwig in stand.
Wij vieren uw goedertierenheid, God, hier binnen uw tempelmuren. Zover als uw Naam reikt, reikt ook uw roem tot aan de grenzen der aarde. Weldadig is alles wat komt uit uw hand.

Vers voor het evangelie (Joh. 10, 27)

Alleluia. Mijn schapen luisteren naar mijn stem, zegt de Heer; en Ik ken ze en zij volgen Mij. Alleluia.

Evangelie (Mc. 6, 7-13)

In die tijd riep Jezus de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij gaf hun macht over de onreine geesten en verbood hun iets anders mee te nemen voor onderweg dan alleen een stok: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel. “Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan.” Hij zei verder: “Als ge ergens een huis binnengaat, blijft daar tot ge weer afreist. En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.” Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren. Zij dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

Vrijdag 8 februari

Eerste lezing (Hebr. 13, 1-8)

Broeders en zusters, de broederlijke liefde hoort bij de dingen, die altijd moeten blijven. En vergeet de gastvrijheid niet; daardoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald. Denkt aan hen, die gevangen zijn als waart ge met hen in de gevangenis, en aan hen die mishandeld worden, want ook gij hebt een lichaam. Het huwelijk is iets kostbaars; laten we het allen in ere houden en de trouw respecteren. Gods oordeel zal komen over ontuchtigen en echtbrekers. Leeft niet alleen voor geld, weest tevreden met wat ge hebt. God zelf heeft gezegd: “Ik laat u niet alleen, Ik zal u nooit in de steek laten.” Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat kan een mens mij aandoen? Gedenkt uw leiders die u het eerst het woord van God verkondigd hebben. Haalt u weer hun leven en de afloop van hun leven voor de geest; neemt een voorbeeld aan hun geloof. Jezus Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.

Tussenzang (Ps. 27/26)

De Heer is mijn licht en mijn leidsman.
De Heer is mijn licht en mijn leidsman, wie zou ik vrezen; de Heer is de schuts van mijn leven, voor wie zou ik bang zijn?
Al staan boosdoeners in slagorde voor mij, ik ben niet bevreesd, al voeren zij oorlog met mij, toch blijf ik vertrouwen. In kwade dagen verleent de Heer mij beschutting, Hij houdt mij verborgen binnen in zijn verblijf.
Uw aanschijn, Heer, tracht ik te zien, wil uw gelaat niet verbergen voor mij, verstoot mij, uw dienaar, niet in uw gramschap. Want Gij zijt mijn helper, verjaag mij dus niet.

Vers voor het evangelie (Joh. 14, 5)

Alleluia. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt de Heer; niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Alleluia.

Evangelie (Mc. 6, 14-29)

Toen koning Herodes over Jezus hoorde, want zijn naam was bekend geworden, zei hij: “Johannes de Doper is verrezen uit de doden en daarom werken die wonderkrachten in hem.” Maar anderen zeiden: “Het is Elia”, en weer anderen: “Hij is een profeet zoals de andere profeten.” Maar toen Herodes dit alles hoorde zei hij: “Neen, het is Johannes, die ik onthoofd heb, die verrezen is.” Herodes had namelijk zelf Johannes laten grijpen en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, want hij had haar tot vrouw genomen. Johannes had immers tot Herodes gezegd: “Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.” Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden, maar zij kreeg geen kans, want Herodes had ontzag voor Johannes. Hij wist, dat hij een rechtschapen en heilig man was en nam hem in bescherming. Telkens wanneer hij hem gehoord had verkeerde hij in tweestrijd, maar toch luisterde hij graag naar hem. Er kwam echter een gunstige dag, toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea. De dochter van Herodias trad op met een dans en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten. De koning zei tot het meisje: “Vraag me wat je wilt en ik zal het je geven.” En hij bevestigde haar met een eed: “Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al is het de helft van mijn koninkrijk.” Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder: “Wat zou ik vragen?” Deze antwoordde: “Het hoofd van Johannes de Doper.” Zij haastte zich naar binnen, naar de koning en zei hem haar verlangen: “Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.” Dit deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen en ook wegens zijn tafelgenoten, wilde hij haar niet afwijzen. Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen. De man ging en onthoofdde hem in de gevangenis. Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje; het meisje gaf het weer aan haar moeder. Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Zaterdag 9 februari

Eerste lezing (Hebr. 13, 15-17.20-21)

Broeders en zusters, door Jezus willen wij God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn naam prijzen. Vergeet ook nooit elkaar goed te doen en te helpen, want dat zijn de offers, die God behagen. Gehoorzaamt uw leiders en voegt u naar hen; zij zijn dag en nacht in de weer voor uw heil, want zij zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid. Zorgt ervoor dat zij hun taak met voldoening kunnen vervullen. Als zij steeds moeten zuchten en klagen, zou dat voor u niet voordelig zijn. Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus, de grote herder der schapen, door het bloed van een eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de dood, u bevestigen in alle goeds. En moge Hij in ons uitwerken wat Hem behaagt door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.

Tussenzang (Ps. 23/22)

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden. Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed.
Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden omwille van zijn Naam. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt. Uw stok en uw herdersstaf geven mij moed en vertrouwen.
Gij nodigt mij aan uw tafel tot ergernis van mijn bestrijders. Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol.
Voorspoed en zegen verlaten mij nooit elke dag van mijn leven. Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.

Vers voor het evangelie (Joh. 14, 23)

Alleluia. Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen. Alleluia.

Evangelie (Mc. 6, 30-34)

In die tijd voegden de apostelen zich bij Jezus en brachten Hem verslag uit over alles wat zij gedaan en onderwezen hadden. Daarop sprak Hij tot hen: “Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.” Want wegens de talrijke gaande en komende mensen hadden zij zelfs geen tijd om te eten. Zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Maar velen zagen hen gaan en begrepen waar Hij heenging; uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen en ze waren er nog eerder dan zij. Toen Jezus aan land ging zag Hij dan ook een grote menigte. Hij gevoelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder; en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”
(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl

share