Dagelijks Brood: Lezingen van de heilige mis: 13 – 18 januari 2020

heilige-antonius-abt-demonen-olv-ter-nood-heiloo

(afbeelding: de verzoekingen van sint Antonius abt. Wandschildering bij de sint Antoniuskerk te Rome)

Dagelijks Brood, lezingen van de dag is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood, lezingen van de dag 13 – 11 januari 2020

1e week door het jaar

U kunt deze week downloaden via deze link (pdf)

Maandag 13 januari – H. Hilarius, bisschop en kerkleraar

Eerste lezing (1 Sam. 1, 1a.2-8)

Er was eens een man uit het bergland van Efraïm, een Sufiet uit Ramataïm, die Elkana heette. Elkana had twee vrouwen; de ene heette Hanna, de andere Peninna. Peninna had kinderen, Hanna niet. Elkana ging jaarlijks naar Silo om zich neer te buigen voor God, de Heer van de hemelse machten en Hem offers te brengen. De priesters van de Heer in Silo waren toen Chofni en Pinechas, twee zonen van Eli. Wanneer Elkana dan zijn offer opdroeg, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel, maar aan Hanna gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel de Heer haar schoot gesloten hield. Haar mededingster echter krenkte haar telkens weer en hoonde haar, omdat de Heer haar schoot gesloten hield. En ieder jaar opnieuw, als Hanna naar de tempel van de Heer opging, krenkte Peninna haar; dan schreide Hanna en wilde niet meer eten. En Elkana vroeg haar dan: “Hanna, waarom schrei je? “Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? “Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?”

Tussenzang (Ps. 116/115)

Refrein: Met offers zal ik U loven, Heer. Of: Alleluja
Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf ? Ik hef de offerbeker, de Naam van de Heer roep ik aan.
Ik zal mijn geloften volbrengen waar heel zijn volk het ziet. Want kostbaar is in zijn ogen het leven van wie Hem vereert.
O Heer, ik ben uw dienaar, uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, Gij hebt mijn boeien geslaakt. Met offers zal ik U loven, de Naam van de Heer roep ik aan.
Ik zal mijn geloften volbrengen waar, heel zijn volk het ziet, op ’t voorplein van uw tempel, in uw Jeruzalem.

Vers voor het evangelie (Ps. 25/24, 4c.5a)

Alleluia. Leer mij uw paden kennen, Heer; leid mij volgens uw woord. Alleluia.

Evangelie (Mc. 1, 14-20)

Nadat Johannes de Doper was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea en verkondigde er Gods Blijde Boodschap. Hij zei: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” Toen Jezus eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl zij bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: “Komt, volgt Mij; Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.” Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder gaande zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; ook zij waren in de boot bezig met hun netten klaar te maken. Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem.

Dinsdag 14 januari – Zalige Peerke Donders, priester

Eerste lezing (1 Sam. 1, 9-20)

Nadat Hanna en Elkana in Silo gegeten en gedronken hadden, ging Hanna naar het heiligdom van de Heer. De priester Eli zat daar op een zetel tegen de deurpost. Bitter bedroefd bad zij onder een stroom van tranen tot de Heer en zij legde deze gelofte af: “God, Heer van de hemelse machten, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn gehele leven aan de Heer afstaan geen scheermes zal over zijn hoofd gaan.” Toen Hanna zo lang tot de Heer bleef bidden, begon de priester Eli op haar mond te letten, en omdat Hanna binnensmonds sprak en haar lippen wel bewogen, maar haar stem niet hoorbaar was, dacht Eli dat zij dronken was. Hij zei tot haar: “Gedraag u toch niet langer als een beschonkene! Zorg liever dat ge weer nuchter wordt.” Maar Hanna antwoordde: “U vergist u, mijn heer, ik ben een vrouw, die diep bedroefd is. Ik heb geen wijn of sterke drank gedronken, maar ik stort mijn hart uit voor de Heer. Beschouw uw dienares niet als een slechte vrouw; alleen uit overgrote zorg en droefheid heb ik zo lang gebeden.” Toen antwoordde Eli: “Ga dan in vrede, en de God van Israël moge u geven wat ge van Hem hebt afgesmeekt.” Hanna antwoordde: “Ik hoop dat u een goede indruk van uw dienares moogt houden.” Toen ging de vrouw weg; zij at en haar gezicht klaarde op. De volgende morgen bogen Elkana en Hanna zich voor de Heer en gingen terug naar Rama. Toen Elkana gemeenschap had met Hanna, was de Heer haar indachtig; zij werd zwanger en in de loop van het jaar bracht zij een zoon ter wereld. Zij noemde hem Samuël, “want,” zei ze, “ik heb hem van de Heer afgesmeekt.”

Tussenzang (1 Sam. 2)

Refrein: De Heer doet mijn hart van vreugde slaan.
De Heer doet mijn hart van vreugde slaan, mijn God heeft mijn hoofd opgeheven. Nu sta ik mijn mededingers te woord, omdat ik zijn bijstand geniet.
De bogen der dapperen worden gebroken, de zwakken worden met kracht omgord. De rijken moeten hun brood gaan verdienen, die honger leed hoeft geen werk meer te doen.
De kinderloze baart zeven maal, de schoot van de moeder verdort. De Heer beschikt over sterven en leven, Hij leidt naar de dood en Hij roept weer terug. De Heer schenkt armoede evenals rijkdom, vernedering brengt Hij en eer.
Hij richt de onmachtige op uit het stof, verheft uit het vuil de geringe; Hij geeft hem een zetel onder de vorsten, verleent hem een eervolle plaats. Want Hij is de heer van de zuilen der aarde, waarop Hij de aardschijf eens heeft geplaatst.

Vers voor het evangelie (Ps. 130/129, 5)

Alleluia. Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik. Alleluia.

Evangelie (Mc. 1, 21-28)

In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen in Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Hij naar de synagoge waar Hij als leraar optrad. De mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want Hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit. Er bevond zich in hun synagoge juist een man, die in de macht was van een onreine geest en luid begon te schreeuwen: “Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet wie Gij zijt: de heilige Gods.” Jezus voegde hem toe: “Zwijg stil en ga weg uit die man.” De onreine geest schudde hem heen en weer, gaf nog een luide schreeuw en ging uit hem weg. Allen stonden zó verbaasd, dat ze onder elkaar vroegen: “Wat betekent dat toch? Een nieuwe leer met gezag! Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem.” Snel verspreidde zijn faam zich naar alle kanten over heel de streek van Galilea.

Woensdag 15 januari – H. Arnold Janssen, priester

Eerste lezing (1 Sam. 3, 1-10.19-20)

In die dagen deed de jonge Samuël dienst in het heiligdom van de Heer, onder het toezicht van Eli. Het woord van de Heer was toen een zeldzaamheid en een visioen kwam niet dikwijls voor. Op zekere dag had Eli zich te slapen gelegd op zijn gewone plaats; zijn ogen begonnen zwak te worden en hij kon niet meer zien. De lamp van God was nog niet gedoofd en Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, waar de ark van God stond. Toen riep de Heer: “Samuël!” Samuël antwoordde: “Hier ben ik.” Hij liep haastig naar Eli en zei: “Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?” Maar Eli antwoordde: “Ik heb niet geroepen; ga maar weer slapen.” Toen riep de Heer opnieuw: “Samuël!” Samuël stond op, ging naar Eli en zei: “Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?” Eli antwoordde: “Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.” Samuël kende de Heer nog niet: een woord van de Heer was hem nog nooit geopenbaard. En weer riep de Heer Samuël; nu voor de derde maal. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: “Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?” Toen begreep Eli, dat het de Heer was die de jongen riep. En hij zei tot Samuël: “Ga slapen, en mocht de Heer je roepen, dan moet je zeggen: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.” Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen. Toen kwam de Heer bij hem staan en riep, evenals de vorige malen: “Samuël, Samuël!” En Samuël antwoordde: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.” Samuël groeide op; de Heer was met hem en liet niet een van zijn woorden onvervuld. En heel Israël, van Dan tot Berseba, kwam te weten dat Samuël inderdaad profeet was geworden van de Heer.

Tussenzang (Ps. 40/39)

Refrein: Ja, ik kom, Heer, om uw wil te doen.
Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt, Hij heeft zich tot mij neergebogen, mijn geroep verhoord.
Gelukkig is de man, die op de Heer zijn hoop stelt, die met opstandigen en onoprechten niet verkeert.
Geschenk en offerande hebt Gij nooit verlangd, maar wel hebt Gij mijn oren voor uw stem geopend.
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij; dus zei ik: ja, ik kom, zoals van mij geschreven staat:
Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde, uw wet is in mijn hart gegrift.
In de bijeenkomsten heb ik gerechtigheid gepredikt, mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het.

Vers voor het evangelie (1 Sam. 3; Joh. 6, 69b)

Alleluia. Spreek, Heer, uw dienaar luistert; uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Alleluia.

Evangelie (Mc. 1, 29-39)

In die tijd kwam Jezus uit de synagoge, en ging met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas. De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Jezus ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan; zij werd vrij van koorts en bediende hen. In de avond, na zonsondergang, bracht men allen, die lijdend of bezeten waren, bij Hem. Heel de stad stroomde voor de deur samen. Velen, die aan allerhande ziekten leden, genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden. Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats waar Hij bleef bidden. Simon en zijn metgezellen kwamen Hem achterop en toen ze Hem gevonden hadden, zeiden ze: “Iedereen zoekt U.” Hij antwoordde hun: “Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken. Daartoe immers ben Ik uitgegaan.” Hij trok door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit.

Donderdag 16 januari

Eerste lezing (1 Sam. 4, 1-11)

In die dagen trokken de Israëlieten ten strijde tegen de Filistijnen; zij sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer, terwijl de Filistijnen bij Afek gelegerd waren. De Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover de Israëlieten. Het kwam tot een gevecht over de gehele linie. De Israëlieten werden verslagen en de Filistijnen doodden langs het front in het open veld ongeveer vierduizend man. Toen het volk in het kamp terugkeerde, zeiden de oudsten van Israël: “Waarom heeft de Heer ons vandaag door de Filistijnen geslagen? Wij gaan de ark van het verbond van de Heer uit Silo weghalen. Zij moet in ons midden komen om ons uit de handen van onze vijanden te verlossen.”
Het volk liet de ark uit Silo halen, de ark van het verbond van God, de Heer van de hemelse machten, die op de kerubs troont. De twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, begeleidden de ark. Toen de ark van het verbond van de Heer in het kamp aankwam, hieven de Israëlieten zo’n machtig gejuich aan dat de grond ervan dreunde. De Filistijnen hoorden het en vroegen: “Wat moet toch dat luide gejuich in het kamp van de Hebreeën?” Toen zij vernamen dat de ark van de Heer in het kamp gekomen was, werden zij bang. Ze zeiden: “God is in het kamp gekomen! Wee ons, dat is nog nooit gebeurd. Wee ons! Wie redt ons uit de handen van die geweldige God? Dit is immers dezelfde God, die de Egyptenaren in de woestijn met allerlei plagen geslagen heeft? Weest moedig, Filistijnen, en gedraagt u als mannen. Anders wordt gij de slaven van de Hebreeën, zoals zij het van u zijn geweest. Weest mannen en weert u.” De Filistijnen gingen tot de aanval over. De Israëlieten werden verslagen en vluchtten naar hun tenten. Het was een zware nederlaag dertigduizend man voetvolk van Israël sneuvelden: de ark van God werd buitgemaakt en de twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, kwamen om.

Tussenzang (Ps. 44/43)

Refrein: Rijs op en kom ons helpen, Heer, red ons in uw barmhartigheid.
Gij hebt ons afgestoten en beschaamd, en trekt niet meer uit met onze legers. Gij hebt ons laten vluchten voor de vijand, zij die ons haten plunderen ons uit.
Nu worden wij gehoond door onze buren, de mensen om ons heen bespotten ons. Wij worden bij de heidenen besproken, de volken schudden over ons het hoofd.
Waarom verbergt Gij uw gelaat voor ons? Ziet Gij ons leed en onze kwelling niet? Wij zijn tot in het stof vernederd, wij liggen aan de aarde vastgekleefd.

Vers voor het evangelie (Ps. 19/18, 9)

Alleluia. Uw voorschriften, Heer, zijn betrouwbaar, onwetenden maken zij wijs. Alleluia.

Evangelie (Mc. 1, 40-45)

Er kwam eens een melaatse bij Jezus, die op zijn knieën viel en Hem smeekte: “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.” Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte de man aan en sprak tot hem: “Ik wil, word rein.” Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd. Terwijl Jezus hem wegstuurde, vermaande Hij hem met klem: “Zorg ervoor, dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren.” Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

Vrijdag 17 januari – H. Antonius, abt

Eerste lezing (1 Sam. 8, 4-7.10-22a)

In die dagen kwamen de oudsten van Israël bijeen, begaven zich naar Samuël in Rama en zeiden tot hem: “Gij zijt oud geworden en uw zonen volgen uw voorbeeld niet. Stel daarom een koning aan om rechter over ons te zijn, een koning zoals alle andere volken die hebben.” Maar Samuël vond het ongepast dat ze voorstelden: “Geef ons een koning om rechter over ons te zijn.” Daarom bad hij tot de Heer. Maar de Heer zei tot Samuël: “Geef gehoor aan het volk, wat zij u ook vragen, want ze verwerpen niet u, maar Mij; Mij willen ze niet langer als koning.” Toen bracht Samuël het volk dat hem om een koning had gevraagd, op de hoogte van wat de Heer had gezegd. Hij zei: “De koning, die over u heerst, zal de volgende rechten doen gelden. Uw zonen zal hij opeisen voor zijn wagens, voor zijn paarden en om zijn wagen te escorteren, om ze aan te stellen als leider van duizend en leider van vijftig, om zijn akkers te ploegen, zijn oogst binnen te halen, wapens te maken voor de oorlog en zijn wagens uit te rusten. Uw dochters zal hij opeisen om zalf te bereiden, te koken en te bakken. Uw beste akkers, wijngaarden en olijftuinen zal hij u afnemen en ze aan zijn dienaren geven. Van uw oogsten en de opbrengst van uw wijngaarden zal hij tienden heffen en die aan zijn hovelingen en dienaren geven. Uw slaven en slavinnen, uw sterkste jongemannen en uw ezels zal hij voor zichzelf laten werken. Van uw schapen en geiten zal hij tienden heffen. Zo wordt gij zijn slaven. Als het zover is, zult gij bij de Heer uw nood klagen over de koning, die gij zelf gewild hebt, maar dan zal de Heer niet antwoorden.” Maar het volk wilde niet naar Samuël luisteren en zei: “Toch moeten wij een koning hebben! “Dan zijn wij gelijk aan alle andere volken. Onze koning zal rechter over ons zijn en voor ons uittrekken om onze oorlogen te voeren.” Samuël hoorde de verlangens van het volk aan en bracht ze over aan de Heer. De Heer zei tot Samuël: “Ga in op hun verzoek en stel een koning over hen aan.”

Tussenzang (Ps. 89/88)

Refrein: Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen, uw trouw verkondigen aan elk geslacht.
Gelukkig is het volk dat weet wat blijdschap is, omdat het leeft, Heer, in het licht van uw gelaat. Van dag tot dag vertrouwt het op uw Naam, vindt het zijn kracht in uw gerechtigheid.
Want Gij zijt onze roem en onze sterkte, uw gunst maakt ons een groot en machtig volk. Want van de Heer ontvingen wij ons schild, de Heilige van Israël gaf ons een koning.

Vers voor het evangelie (Ps. 27/26, 11)

Alleluia. Toon mij uw weg, Heer, bij tegenstand, leid mij langs effen paden. Alleluia.

Evangelie (Mc. 2, 1-12)

Toen Jezus in Kafarnaüm was teruggekeerd en men hoorde dat Hij thuis was, stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood, toen Hij hun zijn leer verkondigde. Men kwam een lamme bij Hem brengen, die door vier mannen gedragen werd. Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen, legden ze het dak bloot boven de plaats waar Jezus zich bevond, maakten er een opening in en lieten het bed waarop de lamme uitgestrekt lag zakken. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: “Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.” Er zaten enkele schriftgeleerden bij. Ze zeiden bij zichzelf: “Wat zegt die man daar? Hij spreekt godslasterlijk! Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?” Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden en Hij zei hun: “Wat redeneert gij toch bij uzelf? Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, neem uw bed en loop? Welnu, opdat ge zult weten dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven – sprak Hij tot de lamme – Ik zeg u, sta op, neem uw bed mee en ga naar huis.” De man stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: “Zoiets hebben wij nog nooit gezien.”

Zaterdag 18 januari

Eerste lezing (1 Sam. 9, 1-4.17-19; 10, 1a)

In Benjamin leefde een man: zijn naam was Kis, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach, een Benjaminiet; hij was een vermogend man. Die man had een jonge zoon, Saul geheten, flink van lijf en leden; geen Israëliet kon met hem vergeleken worden: met kop en schouders stak hij boven allen uit. Eens, toen de ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren weggelopen, zei Kis tot zijn zoon: “Ga met een knecht de ezelinnen zoeken.” Saul trok door het bergland van Efraïm en door het land van Salisa zonder de ezelinnen te vinden. Vervolgens trokken zij door het land van Saälim en door dat van Jemini, maar ook daar vonden zij de dieren niet. Toen Samuël Saul zag aankomen, gaf de Heer hem te kennen: “Dit is de man over wie Ik u gesproken heb. Hij zal heersen over mijn volk.” In de poort trad Saul op Samuël toe en zei: “Wilt u zo vriendelijk zijn, mij het huis van de ziener te wijzen?” Samuël gaf Saul ten antwoord: “Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte; vandaag gaat gij met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat u op het hart ligt.” Toen nam Samuël een kruikje olie en goot dat uit over het hoofd van Saul. Hij kuste hem en zei: “U heeft de Heer gezalfd tot vorst van zijn volk Israël. Gij zult heersen over het volk van de Heer: gij moet het verlossen uit de handen van zijn vijanden rondom.”

Tussenzang (Ps. 21/20)

Refrein: Uw macht, Heer, geeft de koning vertrouwen.
Uw macht, Heer, geeft de koning vertrouwen, uw bijstand maakt hem onzegbaar verheugd. De wens van zijn hart hebt Gij altijd bewilligd, de vraag van zijn lippen wijst Gij niet af.
Gij hebt hem bedacht met uw rijkste zegen, zijn hoofd gekroond met een gouden kroon. Hij vroeg U om leven; hij heeft het gekregen, lengte van dagen tot honderd jaar.
Groot is zijn aanzien dankzij uw bijstand, met luister en pracht overlaadt Gij hem. Gij hebt hem gemaakt tot een zegen voor ieder, de glans van uw Aanschijn brengt hem geluk.

Vers voor het evangelie (Ps. 95/94, 8ab)

Alleluia. Luistert heden naar de stem van de Heer en weest niet halsstarrig. Alleluia.

Evangelie (Mc. 2, 13-17)

Eens ging Jezus naar de oever van het meer. Al het volk kwam naar Hem toe en Hij onderrichtte hen. In het voorbijgaan zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, aan het tolhuis zitten en sprak tot hem: “Volg Mij.” De man stond op en volgde Hem. Terwijl Jezus eens in de woning van Levi te gast was, lag met Hem en zijn leerlingen ook een groot aantal tollenaars en zondaars aan, want er waren velen, die Hem volgden. De Farizeese schriftgeleerden zagen, dat Hij at met zondaars en tollenaars, en zij zeiden tot zijn leerlingen: “Hoe kan Hij eten en drinken met tollenaars en zondaars?” Jezus hoorde dit en antwoordde hun: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen.”

Gebed van de Vrouwe van alle volkeren

Heer Jezus Christus, zoon van de Vader zend nu Uw Geest over de aarde. Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog. Moge de Vrouwe van alle Volkeren, de heilige Maagd Maria, onze voorspreekster zijn. Amen

Gebed tot de Aartsengel Michaël

Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd. Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem zijn macht doet gevoelen en Gij, vorst der hemelse legerscharen, drijf satan en de andere boze geesten die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen

Angelus ad Virginem

℣. Angelus Domini nuntiavit Mariae
℟.Et concepit de Spiritu Sancto

Ave Maria Gratia plena, Dominus tecum Benedicta tu in mulieribus Et benedictus fructus ventris tui, Jesus Sancta Maria, Mater Dei.
Ora pro nobis peccatoribus Nunc et in hora mortis nostrae. Amen.

℣.Ecce ancilla Domini
℟.Fiat mihi sectundum verbum tuum

Ave Maria . . .

℣.Et Verbum caro factum est
℟.Et habitavit in nobis

Ave Maria . . .

℣.Ora pro nobis, Sancta Dei Genetrix,
℟.Ut digni efficiamur promissionibus Christi

Oremus
Gratiam tuam, quaesumus, Domine mentibus nostris infunde ut, qui, Angelo nuntiante Christi Filii tui incarnationem cognovimus per passionem eius et crucem ad resurrectionis gloriam perducamur Per Christum Dominum nostrum. Amen

De Engel des Heren

℣.De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt
℟.En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest

Wees gegroet, Maria Vol van genade, de Heer is met U Gij zijt de gezegende onder de vrouwen En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.
Heilige Maria, Moeder van God bid voor ons, zondaars nu en in het uur van onze dood. Amen.

℣.Zie de dienstmaagd des Heren
℟.Mij geschiede naar uw woord

Wees gegroet, Maria . . .

℣.En het Woord is vlees geworden
℟.En Het heeft onder ons gewoond

Wees gegroet, Maria . . .

℣.Bid voor ons, heilige Moeder van God,
℟.opdat wij de beloften van Christus waardig worden

Laat ons bidden

Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel de menswording van Christus, uw Zoon, leren kennen Wij bidden U stort uw genade in onze harten opdat wij door zijn lijden en kruis gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis Door Christus, onze Heer. Amen.

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl