Dagelijks Brood: Lezingen van de h. mis: 31e week door het jaar 4 – 9 nov 2019

heilige-willibrord-olv-ter-nood-heiloo

Dagelijks Brood, lezingen van de dag is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood, lezingen van de dag 4 t/m 9 nov 2019

31e week van door het jaar plus de lezingen van de 32e zondag C

U kunt deze week downloaden via deze link

Maandag 4 november – H. Carolus Borromeüs, bisschop

Eerste lezing (Rom. 11, 29-36)

Broeders en zusters, God kent geen berouw over zijn genadegaven, noch over zijn roeping. Zoals gij eertijds aan God ongehoorzaam zijt geweest, maar thans, dankzij de ongehoorzaamheid van Israël ontferming hebt gevonden, zo is Israël op haar beurt ongehoorzaam geworden, opdat nu ook zij erbarming zou vinden ten gevolge van de u betoonde ontferming. Zo heeft God allen in ongehoorzaamheid opgesloten om allen in te sluiten in zijn ontferming.
O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Wie kent de gedachte des Heren? Wie is zijn raadsman geweest? Wie kan vergoeding eisen voor wat hij God heeft gegeven? Want uit Hem en door Hem en voor Hem zijn alle dingen. Hem zij de glorie in eeuwigheid! Amen.

Tussenzang (Ps. 69/68)

Mijn gebed, Heer, richt ik tot U, nu is het de tijd van genade.
Ik ga gebogen onder mijn smart; God, laat uw hulp mij beschermen. Gods Naam zal ik loven in mijn gezang, hem dankbaar overal prijzen.
Ziet toe, geringen, en weest verheugd, schept moed, gij allen die God zoekt. God luistert naar wat een arme Hem vraagt, vergeet zijn gevangenen niet.
Want God zal Sion verlossen, Hij bouwt Juda’s steden weer op. Zijn dienaren zullen er wonen, er leven op eigen bezit. Hun kroost zal het land weer erven, Gods Naam zal in ere zijn.

Vers voor het evangelie (Joh. 6, 64b.69b)

Alleluia. Uw woorden Heer zijn geest en leven; uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Alleluia.

Evangelie (Lc. 14, 12-14)

In die tijd zei Jezus tot de Farizeeër, die Hem aan tafel had genodigd: “Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en dat gij het dus terugkrijgt. Maar als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. Gelukkig zult ge zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.”

Dinsdag 5 november

Eerste lezing (Rom. 12, 5-16a)

Broeders en zusters, wij vormen allen te zamen in Christus één lichaam; maar als individu, ieder voor zich genomen, zijn wij aangewezen op elkaar, evenals de ledematen van het lichaam. De geestelijke gaven, die wij bezitten, verschillen naar de bijzondere genade, die ieder van ons is geschonken. Hebt gij de gave der profetie ontvangen, gebruik die in overeenstemming met het geloof. Hebt gij de gave van dienst of van lering ontvangen, leg u dan toe op dienstbetoon of onderricht. Wie een opwekkend woord heeft, moet anderen bemoedigen. Wie iets heeft uit te delen, schenke het weg met mildheid. Wie leiding geeft, doe het met ijver, en wie barmhartigheid bewijst, doe het met blijmoedigheid. Uw liefde moet ongeveinsd zijn. Haat het kwaad, weest het goede welgezind. Bemint elkander hartelijk met broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf. Laat uw ijver niet verflauwen, weest vurig van geest, dient de Heer. Laat de hoop u blij maken, houdt stand in de verdrukking, volhardt in het gebed. Draagt bij voor de noden der heiligen, beoefent de gastvrijheid. Zegent hen die u vervolgen; ge moet ze zegenen in plaats van ze te vervloeken. Verblijdt u met de blijden en weent met hen die wenen. Weest eensgezind. Schikt u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen.

Tussenzang (Ps. 131/130)

Bij U, Heer, ben ik veilig; bescherm mij in uw vrede.
Mijn hart is niet hoogmoedig, Heer, mijn ogen kijken niet verwaand. Ik streef ook niet naar grote daden, hoger dan ik reiken kan.
De stormen zijn bedaard in mij en vredig is mijn geest. Zoals een kind op moeders schoot, zo veilig voel ik mij.
Zoek, Israël, uw toevlucht bij de Heer, van nu af voor altijd.

Vers voor het evangelie (Joh. 8, 12)

Alleluia. Ik ben het licht der wereld, zegt de Heer; wie Mij volgt, zal het licht des levens bezitten. Alleluia.

Evangelie (Lc. 14, 15-24)

In die tijd zei een der tafelgenoten tot Jezus: “Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods.” Hij antwoordde Hem: “Zeker iemand gaf een groot maal en nodigde veel gasten. Op het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar om aan de genodigden te zeggen: Komt, alles is gereed. Maar zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste liet hem zeggen: Ik heb een akker gekocht en moet die noodzakelijk gaan bekijken; ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen. Een tweede zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en moet ze gaan proberen; ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen. Weer een ander: Ik ben zo pas getrouwd; daarom kan ik niet komen. Bij zijn thuiskomst bracht die dienaar dat alles aan zijn meester over. Nu ontstak de heer des huizes in toorn en beval aan zijn dienaar: Haast je naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hier binnen. Toen de dienaar hem zei: Heer, wat gij bevolen hebt is gebeurd en nog is er plaats, droeg de heer zijn dienaar op: Ga naar de wegen en de binnenpaden en nodig de mensen dringend uit binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. Ik zeg u: Geen enkel van de mannen, die het eerst genodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.”

Woensdag 6 november – Alle heilige verkondigers van het geloof in onze streken

Eerste lezing (2 Kor. 4, 1-2.5-7)

Broeders en zusters, nu wij door Gods ontferming met zijn dienst zijn belast, verliezen wij nooit de moed. Wij hebben heimelijkheid en schaamte afgelegd, wij gaan niet met sluwheid te werk, wij vervalsen Gods woord niet. De openlijke verkondiging van de waarheid is onze aanbeveling bij alle mensen, die ons voor het aanschijn van God willen beoordelen. Wij verkondigen immers niet onszelf, maar Christus Jezus de Heer; onszelf beschouwen wij slechts als uw dienaars om Jezus’ wil. Dezelfde God die gezegd heeft: “Licht moet schijnen uit het duister” is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Christus. Maar wij dragen deze schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons.

Tussenzang (Ps. 67/66)

Toon het licht van uw aanschijn; maak in alle landen uw heil bekend.
God, wees ons barmhartig en zegen ons, toon ons het licht van uw aanschijn; opdat men op aarde uw wegen mag kennen, in alle landen uw heil.
Laat alle naties van vreugde juichen omdat Gij de volken rechtvaardig regeert en alles op aarde bestuurt.
De aarde gaf ons haar vruchten, de zegen van onze God. God geve ons zo zijn zegen dat heel de aarde Hem vreest.

Vers voor het evangelie (Joh. 6, 8.12b)

Alleluia. Ik ben het licht der wereld, zegt de Heer. Wie mij volgt zal het licht des levens bezitten. Alleluia.

Evangelie (Joh. 12, 44-50)

In die tijd verklaarde Jezus met luide stem: “Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij maar in Hem die Mij gezonden heeft; en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft. Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. Indien iemand mijn woorden hoort zonder ze te onderhouden, dan veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. Want wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanvaardt heeft reeds iemand die hem veroordeelt: het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem veroordelen op de laatste dag. Ik heb immers niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader die Mij gezonden heeft, Hij heeft Mij opgedragen wat Ik moet zeggen en verkondigen. Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Wat Ik dus verkondig, verkondig Ik zoals de Vader het Mij gezegd heeft.”

Donderdag 7 november – H. Willibrord, bisschop, verkondiger van ons geloof, patroon van de Nederlandse kerkprovincie

Eerste lezing (Jesaja 52, 7-10)

Hoe liefelijk op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede meldt, goed nieuws verkondigt, die heil komt melden, die zegt tot Sion: Uw God regeert! Hoort ! Uw torenwachters verheffen hun stem, zij jubelen tegelijk, want zij zien, oog in oog de terugkeer van de Heer naar Sion. Barst los in jubel, allen samen, puinen van Jeruzalem, want de Heer heeft zijn volk getroost; Hij heeft Jeruzalem verlost. De Heer heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volkeren; en alle grenzen der aarde hebben het heil van onze God aanschouwd.

Tussenzang (Ps. 96/95)

Meldt aan de naties de heerlijkheid van de Heer.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer, alle landen. Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.
Verkondigt zijn heil alle dagen. Meldt aan de naties zijn heerlijkheid, zijn wondere daden aan alle volken.
Huldigt de Heer, alle stammen en volken, huldigt de Heer om zijn glorie en macht. Huldigt de Heer om de roem van zijn Naam. Beeft voor de Heer, alle mensen op aarde.
Zegt tot elkander: de Heer regeert! Onwrikbaar heeft Hij de aarde geschapen, de volken bestuurt Hij met billijkheid.

Tweede lezing (Hebr. 13, 7-9a.15-17a)

Broeders en zusters, gedenkt uw leiders, die u het eerst het woord van God verkondigd hebben. Haalt u weer hun leven en de afloop van hun leven voor de geest; neemt een voorbeeld aan hun geloof, Jezus Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. Laat u niet van de wijs brengen door allerlei vreemde theorieën. Door Jezus willen wij God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen, die zijn Naam prijzen. Vergeet ook nooit elkaar goed te doen en te helpen, want dat zijn de offers, die God behagen. Gehoorzaamt uw leiders en voegt u naar hen; zij zijn dag en nacht in de weer voor uw heil, want zij zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid.

Vers voor het evangelie (Mt. 28, 19a.20b)

Alleluia. Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen, zegt de Heer; Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld. Alleluia.

Evangelie (Mc 16, 15-20)

In die tijd, toen Jezus aan de elf verscheen, sprak Hij tot hen: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen: in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen; zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen; en als ze aan zieken de handen opleggen zullen dezen genezen zijn.” Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen en Hij zit aan de rechterhand van God. Maar zij trokken uit om overal te prediken, en de Heer werkte met hen mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden.

Ofwel:

Vers voor het evangelie (Joh. 15, 6)

Alleluia. Ik heb u uitgekozen en de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen, die blijvend zijn. Alleluia.

Evangelie (Mt, 28, 16-20)

In die tijd begaven de elf leerlingen zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had. Toen zij Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden. Jezus trad nader en sprak tot hen: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.”

Vrijdag 8 november – H. Willehad, bisschop; Alle HH. Bisschoppen van Utrecht

Eerste lezing (Rom. 15, 14-21)

Broeders en zusters,
ik voor mij twijfel er niet aan
of gij zijt best in staat zelf elkaar van advies te dienen,
want ge zijt volop voorzien van goedheid
en kennis van allerlei soort.
Toch heb ik u
hier en daar met een zekere vrijmoedigheid geschreven
om u een en ander in herinnering te brengen,
uit kracht van de genade, die mij van Godswege is geschonken.
Hij heeft mij bestemd
voor de heilige dienst van Christus Jezus onder de heidenen,
om het evangelie van God te bedienen,
om Hem de volken aan te bieden als een welkome gave,
geheiligd door de heilige Geest.
Hierop mag ik mij in Christus Jezus bij God beroemen.
Want ik verstout mij niet over iets anders te spreken,
dan over hetgeen Christus door mij tot stand heeft gebracht
voor de bekering der heidenen,
door woord en werk,
door machtige wondertekenen,
in de kracht van de Geest.
Zo heb ik de prediking van het evangelie van Christus voltooid,
van Jeruzalem en omgeving tot de kust van Dalmatië.
Alleen was het mij een erezaak het nergens te verkondigen
waar de Naam van Christus reeds genoemd was.
Ik wil niet bouwen op een fundament dat door anderen is gelegd,
maar houd mij aan het woord van de Schrift:
“Zij zullen aanschouwen
die geen boodschap over Hem hebben vernomen.
Zij moeten tot inzicht komen
die nog niet van Hem hebben gehoord.”

Tussenzang (Ps. 98/97)

Zijn weldaden deed de Heer ons kennen, de volkeren zijn gerechtigheid.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, omdat Hij wonderen deed. Zijn hand deed zich krachtig gelden, de macht van zijn heilige arm.
Zijn weldaden deed Hij ons kennen, de volkeren zijn gerechtigheid. Opnieuw bleek zijn goedheid en trouw ten gunste van Israëls huis.
Geheel de aarde aanschouwde wat onze God voor ons deed. Verheerlijkt de Heer, alle landen, weest blij, verheugt u en zingt.

Vers voor het evangelie (Joh. 14, 23)

Alleluia. Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen. Alleluia.

Evangelie (Lc. 16, 1-8)

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Er was eens een rijk man, die een rentmeester had,
die bij hem werd aangeklaagd, dat hij zijn bezit verkwistte.
Hij riep hem dus en vroeg:
“Wat hoor ik daar van u?
Geef rekenschap van uw beheer,
want gij kunt niet langer rentmeester blijven”.
Toen redeneerde de rentmeester bij zichzelf:
“Wat zal ik doen nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt?
Spitten kan ik niet, en bedelen: daarvoor schaam ik mij.
Ik weet al wat ik ga doen
opdat ik, na mijn ontslag als rentmeester, onderdak vind”.
Hij ontbood de schuldenaars van zijn heer, één voor één,
en zei tot de eerste:
“Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig?”
Deze antwoordde: “Honderd vaten olie”.
Maar hij zei:
“Hier hebt ge uw schuldbekentenis;
ga gauw zitten en schrijf: vijftig”.
Daarop vroeg hij nog aan een tweede:
“En hoeveel zijt gij schuldig?”
Deze antwoordde: “Honderd maten tarwe”.
Hij zei hem:
“Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig”.
De heer prees het in de onrechtvaardige rentmeester,
dat hij met overleg had gehandeld,
want de kinderen van deze wereld
handelen onderling met meer overleg
dan de kinderen van het licht.”

Zaterdag 9 november – Kerkwijding van de Basiliek van Sint Jan van Lateranen

Eerste lezing (Ez. 47, 1-2.8-9.12)

In die dagen bracht een engel mij naar de ingang van de tempel des Heren. En daar zag ik onder de drempel water opwellen en in oostelijke richting stromen; de voorzijde van de tempel ligt immers op het oosten. Het water stroomde eerst zuidwaarts langs de muur en dan langs de zuidkant van het altaar. Hij leidde mij door de noordpoort buitenom naar de oostelijke buitenpoort en rechts daarvan kwam het water weer te voorschijn. En de engel zei: “Dit water stroomt door het oostelijk deel van het land naar de Araba, mondt uit in de Zoutzee en maakt het water van de zee gezond. De rivier brengt leven overal waar hij stroomt; het wemelt er van dieren. De zee zit vol vis, want de rivier die erin uitmondt, maakt het water gezond. Overal waar hij stroomt, is volop leven. Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vruchtbomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt, uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht.”

Tussenzang (Ps. 46/45)

Een klaterend beekje verkwikt Gods stad, het heilig verblijf van de Allerhoogste.
De Heer is voor ons een vesting en toevlucht, een machtige hulp in de nood. Zo zijn wij niet bang, al kantelt de aarde, al vallen de bergen in zee.
Een klaterend beekje verkwikt Gods stad, het heilig verblijf van de Allerhoogste. Die stad staat onwrikbaar, want God is daarbinnen, God staat haar terzij als de dag begint.
De Heer van de hemelse legers is met ons, een veilige burcht is ons Jakobs God. Komt nader en ziet wat de Heer heeft gedaan, zijn wondere werken op aarde.

Tweede lezing (1 Kor. 9b-11.16-17)

Broeders en zusters, gij zijt Gods bouwwerk. Naar de mij gegeven genade heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd waarop een ander voortbouwt. Maar laat iedereen toezien hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus. Gij weet toch dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt zal God hem te gronde richten. Want de tempel van God is heilig en die tempel zijt gij.

Vers voor het evangelie (2 Kron. 7, 16)

Alleluia. Zo spreekt de Heer: Ik heb deze tempel uitverkoren en geheiligd, zodat mijn Naam er voor eeuwig zal wonen. Alleluia.

Evangelie (Joh. 2, 13-22)

Toen het paasfeest der Joden nabij was ging Jezus op naar Jeruzalem. In de tempel trof Hij de verkopers aan van runderen, schapen en duiven en ook de geldwisselaars die daar zaten. Hij maakte van touwen een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen; het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels en Hij wierp die omver. En tot de duivenhandelaars zei Hij: “Weg met dit alles ! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!” Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: “De ijver voor uw huis zal mij verteren”. De Joden richtten zich tot Hem met de woorden: “Wat voor teken kunt Gij ons laten zien dat Gij dit doen moogt?” Waarop Jezus hun antwoordde: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Maar de joden merkten op: “Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd; zult Gij hem dan in drie dagen doen herrijzen?” Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam. Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden, herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden in de Schrift en in het woord dat Jezus gesproken had.

32e zondag door het jaar C

Eerste lezing (2 Makk. 7,1-2.9-14)

In die dagen werden zeven broers met hun moeder gevangen genomen. De koning wilde ze dwingen van het verboden varkensvlees te eten door ze met roeden en zwepen te geselen. De eerste van hen, die optrad als hun woordvoerder, sprak als volgt: “Waarom wilt gij ons ondervragen en wat wilt gij van ons te weten komen? Wij zijn bereid te sterven, liever dan de wetten van onze voorouders te overtreden.” Nadat de eerste gestorven was, riep de tweede broer, kort voordat hij de geest gaf: “Booswicht, gij kunt ons wel het tegenwoordige leven ontnemen, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, laten opstaan tot een eeuwig leven.”
Na hem werd de derde gemarteld. Zonder enige vrees sprak hij: “Ik heb deze ledematen van God gekregen; uit eerbied voor zijn wetten doe ik er afstand van, maar ik hoop ze eens weer terug te krijgen.” De koning en zijn omgeving stonden verbaasd over zoveel moed bij de jongeman, die zijn folteringen zonder één moment van zwakte doorstond. Toen hij dood was werd de vierde broer op dezelfde wijze gefolterd en gepijnigd. Op het punt te sterven riep hij nog uit: “Het is niet zo erg door mensen omgebracht te worden, wanneer wij mogen vertrouwen op Gods belofte, dat Hij ons weer zal laten verrijzen. Voor u echter zal er geen verrijzenis tot een nieuw leven zijn!”

Tussenzang (Ps. 17/16)

Uw aanblik, Heer, verzadigt mij als ik ontwaak.
Luister, Heer, want mijn zaak is rechtvaardig, let op mijn luid geroep. Wil mijn gebed aanhoren; mijn lippen bedriegen U niet.
Standvastig volg ik het pad van de wet, mijn voet struikelt niet op uw wegen. Nu roep ik U aan, want Gij zult mij verhoren, wend dus uw oor naar mij, hoor naar mijn stem.
Spaar mij, zoals men zijn ogen spaart, verberg mij onder de schuts van uw vleugels. Maar ik ben rechtschapen en mag U aanschouwen, uw aanblik verzadigt mij als ik ontwaak.

Tweede lezing (2 Tess. 2,16-3, 5)

Moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond, en die ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds, in woord en daad. Voorts, broeders en zusters, bidt voor ons, opdat het woord des Heren overal, zoals bij u, zijn luisterrijke loop mag volbrengen, en opdat wij verlost worden van die kwaadaardige en boze lieden; want het geloof is niet aller deel. Maar de Heer is getrouw: Hij zal u sterken en behoeden voor de boze. In de Heer vertrouwen wij op u, dat gij doet wat wij bevelen en dit ook zult blijven doen. Moge de Heer uw harten neigen tot de liefde Gods en tot de standvastigheid van Christus.

Vers voor het evangelie (Apok. 2,10c)

Alleluia. Weest getrouw tot de dood, zegt de Heer en Ik zal u de kroon des levens geven. Alleluia.

Evangelie (Lc. 20,27-38)

In die tijd kwamen enigen van de Sadduceeën, die de verrijzenis loochenen, bij Jezus met de vraag:
“Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemand een getrouwde broer heeft die kinderloos sterft, dan moet hij diens vrouw nemen en aan zijn broer een nageslacht geven. Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. De tweede en de derde namen de vrouw en de een na de ander stierven ze alle zeven zonder kinderen na te laten. Het laatste stierf ook de vrouw. Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.” En Jezus sprak tot hen: “De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. Zij kunnen immers niet meer sterven, omdat zij als engelen zijn; en, als kinderen van de verrijzenis, zijn zij kinderen van God. Dat de doden verrijzen, heeft ook Mozes aangeduid waar het gaat over de braamstruik, doordat hij de Heer noemt: de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob. De Heer is toch geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen levend.”

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl

share