Dagelijks Brood, lezingen van de dag: maandag 8 t/m zaterdag 13 april 2019

heilige-stanislas-olv-ter-nood

Dagelijks Brood, lezingen van de dag is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood, lezingen van de dag: maandag 8 t/m zaterdag 13 april 2019
5e week van de Veertigdagentijd

U kunt deze week downloaden via deze link (PDF).

Maandag 8 april

Eerste lezing (Daniël 13, 1-9.15-17.19-30.33-62)

Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette. Hij had een vrouw, Susanna genaamd, de dochter van Chelkia, zij was buitengewoon mooi en vroom. Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren, hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed. Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag, bij hem kwamen de Joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was. Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld, van hen gold wat de Heer gezegd heeft: De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten die rechters waren en voorgaven het volk te besturen. Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde. Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man. De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op. Zij verdraaiden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen. Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna vergezeld van twee dienstmeisjes, volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen, er was immers niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden. Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: “Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.” Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe en zeiden: “Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet, wij branden van begeerte naar je: wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons, anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes had weggestuurd.” Susanna zuchtte diep en sprak: “Van alle kanten word ik bedreigd: want doe ik het, dan wacht mij de dood, doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen. Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.” Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in en een van hen liep naar de poort van het park en opende die. Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was. Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld. Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten er toe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze: “Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.” Men liet haar halen. Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Haar verwanten en allen die haar zagen weenden. Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer. Toen verklaarden de oudsten: “Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. Daarop kwam er een jonge man naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen. Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar hen toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden wij niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte, maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was, maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.” De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood. Nadat Susanna ter dood veroordeeld was riep zij met luide stem: “Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt, Gij weet dat deze oudsten een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd, en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.” De Heer verhoorde haar gebed. Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. Deze jongeman riep met luide stem: “Ik ben onschuldig aan haar bloed!” Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: “Wat bedoel je daarmee?” Hij ging in hun midden staan en zei: “Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken? Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.” Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: “Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.” Toen zei Daniël tot hen: “Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.” Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: “Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor al de zonden die je bedreven hebt door onrechtvaardige vonnissen te vellen: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat, niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een mastiekboom.” Daniël hernam: “Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.” Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: “Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelden jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid. Welnu: Onder wat voor een boom heb je ze betrapt?” Hij antwoordde: “Onder een steeneik.” Daniël hernam: “Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.” Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden beraamd: ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

Tussenzang (Ps. 23/22)

Refrein: Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort , Hij laat mij weiden op groene velden. Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed.
Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden omwille van zijn Naam. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt. Uw stok en uw herdersstaf geven mij moed en vertrouwen.
Gij, nodigt mij aan uw tafel tot ergernis van mijn bestrijders. Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol.
Voorspoed en zegen verlaten mij nooit, elke dag van mijn leven. Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.

Vers voor het evangelie (Ez. 33, 11)

Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, zegt de Heer, maar veeleer daarin, dat hij zich bekeert en leeft.

Evangelie (Joh. 8, 12-20)

In die tijd richtte Jezus het woord tot de Farizeeën en sprak: “Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht des levens bezitten.” De Farizeeën wierpen Hem tegen: “Gij getuigt over Uzelf, uw getuigenis heeft geen waarde.” Jezus antwoordde hun: “Ook al getuig Ik over Mijzelf, toch heeft mijn getuigenis waarde, omdat Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waarheen Ik ga. Gij echter weet niet vanwaar Ik kom of waarheen Ik ga. Gij oordeelt naar het aardse, Ik oordeel niemand. En zelfs als Ik zou oordelen, dan is mijn oordeel toch rechtsgeldig, omdat Ik niet alleen ben, maar de Vader die Mij gezonden heeft met Mij is. Ook in uw Wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen geldig is. Ik ben het, die getuig over Mijzelf, en ook de Vader die Mij gezonden heeft getuigd over Mij.” Zij vroegen Hem dan: “Waar is uw Vader?” Jezus antwoordde: “Gij kent Mij evenmin als gij mijn Vader kent, zoudt gij Mij kennen, dan zoudt gij ook mijn Vader kennen.” Deze woorden sprak Hij bij de schatkamer, toen Hij onderricht gaf in de tempel. En niemand greep Hem, want zijn uur was nog niet gekomen.

Dinsdag 9 april

Eerste lezing (Num. 21, 4-9)

In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: “Hebt gij ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.” Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. Nu kwam het volk naar Mozes en zei: “Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd. Bid de Heer, dat hij die slangen van ons wegneemt.” Toen bad Mozes voor het volk en de Heer zei tot hem: “Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.” Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.

Tussenzang (Ps. 102/101)

Refrein: Heer, verhoor mijn gebed, laat mijn geroep U bereiken.
Heer, verhoor mijn gebed, laat mijn geroep U bereiken. Verberg uw gelaat niet voor mij, wanneer de zorgen mij drukken. Schenk mij uw aandacht, Heer, verhoor mij zodra ik U aanroep.
De heidenen zullen uw Naam weer duchten, de vorsten der aarde uw heerlijkheid, Heer, wanneer Gij de muren van Sion herbouwt, wanneer Gij daar weerkeert in volle luister, wanneer Gij de stem der geplunderden hoort, hun smeekbeden niet naast U neerlegt.
Stelt dit dan op schrift voor het komend geslacht en laat onze zonen de Heer ervoor danken. De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte, Hij ziet uit de hemel op aarde neer. Hij zal het geschrei der gevangenen horen, verlossen die aan de dood zijn gewijd.

Vers voor het evangelie (ps. 130/129, 5.7)

Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik, want de Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt.

Evangelie (Joh. 8, 21-30)

In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën: “Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga, kunt gij niet komen.” De joden zeiden daarop: “Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?” Maar Hij hernam: “Gij zijt van beneden, Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.” Zij vroegen Hem toen: “Wie zijt Gij dan?” Jezus antwoordde: “Waarom zou Ik eigenlijk daar nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft is waarachtig, en wat Ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.” Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en dat Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft is met Mij, Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem behaagt.” Toen Hij aldus sprak gingen er velen in Hem geloven.

Woensdag 10 april

Eerste lezing (Dan. 3, 14-20.91.92.95)

In die dagen vroeg koning Nebukadnessar aan de mannen Sadrak, Mezak en Abednego: “Is het waar dat gij mijn god niet vereert en het gouden beeld, dat ik heb opgericht, niet aanbidt? Welnu, zijt gij bereid om bij het horen van de klanken van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten u neer te werpen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb? Weigert gij dat, dan wordt ge op staande voet in het laaiende vuur van een oven geworpen en welke god zal u dan uit mijn macht kunnen bevrijden?” Zij gaven de koning ten antwoord: “Nebukadnessar, wij vinden het niet nodig op uw vraag een antwoord te geven. Als er een god is die dat kan, dan is het onze God, die wij vereren: Hij is in staat ons te bevrijden uit het laaiende vuur van een oven en Hij zal ons ontrukken aan uw greep, koning. Maar de koning zij ervan overtuigd, dat, ook als God ons niet redt, wij uw god niet vereren en het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, niet aanbidden.” Toen werd Nebukadnessar woedend op hen en zijn gelaat vertrok, hij gaf bevel de oven zevenmaal heter te stoken dan gewoonlijk, en de sterksten uit zijn leger droeg hij op deze mannen te binden en in de laaiende vuuroven te werpen. Maar plots schrok koning Nebukadnessar, stond ijlings op en zei tot zijn raadsheren: “Wij hebben toch drie mannen geboeid in het vuur geworpen?” Zij gaven de koning ten antwoord: “Zeker, koning!” Hij hernam: “Maar ik zie vier mannen ongeboeid en zonder letsel zich in het vuur bewegen, de vierde gelijkt op een godenzoon.” Toen sprak Nebukadnessar: “Geloofd zij de God van Sadrak, Mezak en Abednego: Hij heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden, die vol vertrouwen op Hem het bevel van de koning hebben overtreden en hun lichamen hebben prijsgegeven, omdat ze geen god wilden vereren of aanbidden dan hun eigen God.”

Tussenzang (Dan. 3)

Refrein: U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen uw heilige roemrijke Naam, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij in het huis van uw glorie, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij op de troon van uw koninkrijk, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij, die de diepten doorschouwt, tronend op kerubs, in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij in de koepel des hemels, U komt de lof toe in alle eeuwen.

Vers voor het evangelie (Mt. 4, 4b)

Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.

Evangelie (Joh. 8, 31-42)

In die tijd zei JeEEzus tot de Joden, die in Hem geloofden: “Indien gij trouw blijft aan mijn woord zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken. Men wierp op: “Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u al wie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. Wie eeuwig in het huis blijft is de Zoon. Als de Zoon u vrij maakt, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt, niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt. Zij antwoordden Hem: “Onze vader is Abraham.” Daarop zei Jezus hun: “Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham. Thans echter zoekt gij Mij, een mens, te doden terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.” Zij zeiden Hem: “Wij zijn niet uit ontucht geboren, één vader hebben wij en dat is God.” Jezus zeide hun: “Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.”

Donderdag 11 april – H. Stanislaus, bisschop en martelaar

Eerste lezing (Gen. 17, 3-9)

In die tijd wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: “Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. Gij zult niet langer Abram heten, uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond. Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.” Verder zei God nog tot Abraham: “Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht.”

Tussenzang (Ps. 105/104)

Refrein: Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht.
Verlaat u op God, op zijn machtige arm, blijft altijd zijn Aanschijn zoeken. Vergeet nooit de wonderen die Hij deed, zijn tekenen en zijn beloften.
Gij, kroost van zijn dienaar Abraham, gij zonen van Jakob, zijn welbeminde. De Heer, Hij is onze enige God, wat Hij beslist geldt voor heel de aarde.
Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht, wat Hij beloofd heeft voor duizend geslachten. De bond die Hij vroeger met Abraham sloot, de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.

Vers voor het evangelie (cf. Lc. 8, 15)

Zalig zij die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid.

Evangelie (Joh. 8, 51-59)

In die tijd zei Jezus tot de Joden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.” Toen zeiden de Joden Hem: “Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken. Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham die wel gestorven is? Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij Uzelf wel?” Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf verheerlijk, dan is mijn glorie niets, maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet. Ik daarentegen ken Hem en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien: hij heeft hem gezien en zich verheugd.” Toen zeiden de Joden tot Hem: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik.” Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen, maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

Vrijdag 12 april

Eerste lezing (Jer. 20, 10-13)

Ik hoor velen fluisteren: “Daar heb je ontzetting – overal.” Breng hem aan, ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken. God de Heer is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze iets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.

Tussenzang (Ps. 18/17)

Refrein: Ik wendde mij tot de Heer in mijn nood, zijn oor ving mijn noodkreten op.
Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder. Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind.
Mijn schild, mijn behoud, mijn bescherming. Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen, dan doet geen vijand mij kwaad.
Want golven van doodsgevaar sloten mij in, een stortvloed van onheil maakte mij angstig. Het net van het dodenrijk hield mij gevangen, de strik van de dood lag reeds om mij heen.
Toen wendde ik mij tot de Heer in mijn nood en riep ik mijn God aan om hulp. Hij hoorde mijn stem in zijn hoge paleis, zijn oor ving mijn noodkreten op.

Vers voor het evangelie (Lc. 15, 18)

Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u.

Evangelie (Joh. 10, 31-42)

In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: “Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?” De Joden gaven Hem ten antwoord: “Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.” Jezus antwoordde hun: “Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.” Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: “Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei was waar.” En velen begonnen daar in Hem te geloven.

Zaterdag 13 april – H. Martinus I, paus en martelaar

Eerste lezing (Ez. 37, 21-28)

Zo zegt God de Heer: “Ik zal de kinderen van Israël, die overal verspreid onder de heidenvolken leven, bijeenbrengen en hen terugvoeren naar hun eigen grond. Ik zal hen tot één enkel volk maken, in het land, op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Zij zullen niet langer twee volken zijn, niet langer verdeeld zijn over twee rijken. Zij zullen zich niet meer bezoedelen met hun afgoden, hun gruwelbeelden en al hun misdaden. Uit de trouweloosheden waaraan zij zich bezondigd hebben zal Ik hen verlossen en Ik zal hen reinigen, zodat zij mijn volk zijn en Ik hun God. Dan zal mijn dienaar David koning over hen zijn, zij zullen allen één herder hebben. Zij zullen leven volgens mijn geboden en mijn wetten werkelijk onderhouden. Zij zullen wonen in het land, dat Ik mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land waar hun vaderen gewoond hebben, zij en hun kinderen en hun kleinkinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten: een altijddurend verbond zal het zijn. Ik zal hun een woonplaats geven, Ik zal hen talrijk maken en mijn heiligdom voor altijd onder hen vestigen. Mijn woning zal bij hen zijn. Zo zullen de heidenvolken weten, dat Ik, de Heer, Israël heilig maak, doordat mijn heiligdom voor altijd onder hen is.”

Tussenzang (Jer. 31)

Refrein: De Heer zal ons hoeden, zoals een herder zijn kudde.
Volkeren, hoort dan het woord van de Heer, geeft er berucht van op verre kusten. Hij die Israël eens heeft verstrooid zal het verzamelen, zal het behoeden, zoals een herder zijn kudde hoedt.
Jakob zal worden bevrijd door de Heer, los uit de greep van hem die het roofde. Juichend betreden zij Sion weer, zetten zich neer waar de Heer hen zegent.
Meisjes dansen een vreugdedans, samen met jongens en grijsaards. Dan breng Ik vreugde in plaats van rouw, troost en blijdschap na al hun droefheid.

Vers voor het evangelie (Joh. 3, 16)

Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan.

Evangelie (Joh. 11, 45-56)

Vele Joden, die in die dagen naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden “Wat doen we? Want die man verricht veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.” Maar een van hen, Kájafas, die dat jaar hogepriester was zei hun: “Gij begrijpt er niets van, ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.” Dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar, profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden. Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraïm waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit de streek vóór Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar terwijl ze in de tempel stonden: “Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?”

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”
(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl

share