Dagelijks Brood, lezingen van de dag 28 maart – 31 maart 2020

palmzondag-olvternood

Dagelijks Brood, lezingen van de dag is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood, lezingen van de dag 28 maart – 31 maart 2020

Palmzondag en Goede Week voor Pasen

Gebed tot de heilige Jozef

 

Tot U, Heilige Jozef

Nemen wij onze toevlucht in onze noden

En na de hulp van uw zeer heilige Bruid

Te hebben ingeroepen

Smeken wij met vertrouwen ook uw bescherming af

Wij bidden U ootmoedig

Zie met goedheid neer op het erfdeel

Dat Jezus Christus door zijn bloed heeft verworven

En help ons in onze noden door uw machtige bijstand

Dat vragen wij U omwille van de liefde

Die U heeft verbonden met de onbevlekte Maagd

En Moeder van God

En omwille van de vaderlijke tederheid

Waarmee Gij het Kind Jezus hebt aanvaard

Zorgzame bewaarder van het heilig Huisgezin

Bescherm de uitverkoren kinderen van Jezus Christus

Liefdevolle vader

Houdt ons ver van dwaling en zedenbederf

Machtige beschermer

Sta ons vanuit de hemel genadig bij

In de strijd tegen de machten van de duisternis

En zoals Gij weleer het Kind Jezus

Uit het grootste levensgevaar hebt gered

Zo verdedig nu ook de heilige Kerk van God

Tegen vijandelijke aanslagen en alle tegenwerking

Neem ieder van ons in uw blijvende bescherming

Opdat wij naar uw voorbeeld

En gesteund door uw hulp

Heilig leven

Zalig sterven

En het eeuwig geluk in de hemel verkrijgen

 

Amen

Zondag 28 maart                                        PALMZONDAG VAN HET

                                                                             LIJDEN VAN DE HEER

 

Evangelie palmliturgie (Mc. 11, 1-10)

Gezegend de Komende in de naam des Heren

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden,

in de richting van Betfage en Betanië op de olijfberg,

zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:

“Gaat naar het dorp daar vóór u,

en bij uw binnenkomst is het eerste, dat ge zult vinden een veulen,

dat vastgebonden staat,

en waarop nog nooit iemand gezeten heeft;

maakt dat los en brengt het hier.

En als iemand u de aanmerking maakt:

Wat doet ge daar?,

antwoordt dan:

De Heer heeft het nodig,

maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug.”

Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur

buiten op straat.

Ze maakten het los,

maar sommige mensen, die daar in de buurt stonden,

riepen hun toe:

“Wat doet ge daar, om zomaar dat veulen los te maken?”

Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd

en de mensen lieten hen ongemoeid.

Ze brachten het veulen bij Jezus,

legden er hun mantels overheen

en Hij ging er op zitten.

Velen spreidden hun mantels op de weg uit,

anderen groene takken, die ze in het veld gehakt hadden.

De mensen, die Hem omstuwden, jubelden:

“Hosanna;

Gezegend de Komende in de Naam des Heren;

Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David!

Hosanna in den hoge!”

 

Eerste lezing (Jesaja 50, 4-7)

Mijn gezicht heb Ik niet afgewend van wie Mij smaadden

maar Ik weet dat Ik niet te schande zal worden

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken;

ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken.

Elke morgen spreekt Hij zijn woord,

elke morgen richt Hij het woord tot mij

en ik luister met volle overgave.

God de Heer heeft tot mij gesproken

en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd.

Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,

mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten

en mijn gezicht heb ik niet afgewend

van wie mij smaadden en bespuwden.

God de Heer zal mij helpen:

daarom zal ik niet beschaamd staan

en ik zal geen spier vertrekken.

Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

 

Tussenzang (Ps. 22, 8-9.17-18a.19-20.23-24)

Refrein:  Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?

 

Ze lachen met mij, allen die mij zien,

ze grijnzen en ze schudden met het hoofd.

Hij steunt toch op de Heer?

Laat Die hem dan bevrijden,

laat Die hem redden,

als Hij hem bemint.

 

Een meute honden jaagt mij op,

een bende booswichten houdt mij omsingeld.

Mijn handen en mijn voeten hebben zij gewond,

mijn beenderen kan ik wel tellen.

 

Nu gapen zij mij aan en lachen zij mij uit,

nu delen zij mijn kleren onderling en dobbelen om mijn gewaad.

Ach Heer, houd U niet ver van mij,

mijn steun, kom haastig om mij bij te staan.

 

Uw Naam zal ik verheerlijken onder mijn broeders,

voor heel het volk uw lof verkondigen:

Gij dienaars van de Heer, verheerlijkt Hem,

heel het geslacht van Jakob, brengt Hem dank.

 

Tweede lezing (Fil. 2, 6 -11)

Christus heeft zich vernederd,

daarom heeft God Hem hoog verheven

Broeders en zusters,

Hij, die bestond in goddelijke majesteit

heeft zich niet willen vastklampen

aan de gelijkheid met God.

Hij heeft zichzelf ontledigd

en het bestaan van een slaaf op zich genomen.

Hij is aan de mensen gelijk geworden.

En als mens verschenen

heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood,

tot de dood aan het kruis.

Daarom heeft God Hem hoog verheven

en Hem de Naam verleend,

die boven alle namen is.

Opdat bij het noemen van zijn Naam

zich iedere knie zou buigen

in de hemel, op aarde en onder de aarde;

en iedere tong zou belijden,

tot eer van God de Vader:

Jezus Christus is de Heer.

 

Vers voor het evangelie (Fil. 2, 8-9)

Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood,

tot de dood aan een kruis.

Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam

verleend die boven alle namen is.

 

Evangelie (Mc. 14, 1 – 15, 47 of 15, 1-39)

Het lijden van onze Heer Jezus Christus

 

HET LIJDENSVERHAAL VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS

VOLGENS MATTEÜS IN HET JAAR A

 

L = lezer of lector

C = Christus (priester)

A = allen

P = andere bijbelse personen

 

L    Over twee dagen was het feest van Pasen

en van het ongedesemde brood.

De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten

op welke manier zij Jezus door list zouden kunnen grijpen

en Hem ter dood zouden kunnen brengen.

Want ze dachten:

A    “Niet op het feest;

er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.”

 

PAASMAAL EN VERRADER

L    Terwijl Jezus zich te Betanië bevond

in het huis van Simon de Melaatse

en daar aan tafel aanlag,

kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte,

zeer dure nardusbalsem.

Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd.

Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar:

A    “Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest?

De balsem had voor meer dan driehonderd denaries

verkocht kunnen worden ten bate van de armen.”

L    Toen zij tegen haar uitvoeren sprak Jezus:

C    “Laat haar met rust.

Waarom valt ge haar lastig?

Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan.

Armen hebt gij altijd in uw midden

en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt,

maar Mij hebt gij niet altijd.

Zij heeft gedaan wat in haar macht was;

zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd

met het oog op mijn begrafenis.

Voorwaar, Ik zeg u:

waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden,

zal tevens ter herinnering aan haar

verhaald worden wat zij gedaan heeft.”

L    Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf,

naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren.

Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld.

Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.

 

Op de eerste dag van het ongedesemde brood,

de dag waarop men het paaslam slacht,

zeiden zijn leerlingen tot Hem:

A    “Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen

zodat Gij het paasmaal kunt houden?”

L    Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:

C    “Gaat naar de stad

en daar zult ge een man tegenkomen,

die een kruik water draagt;

volgt hem

en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat:

De Meester laat vragen:

Waar is de zaal voor Mij

waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?

Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien

met rustbedden en van al het nodige voorzien;

maakt daar alles voor ons klaar.”

 

L    De leerlingen vertrokken,

gingen de stad binnen,

vonden alles zoals Hij het hun gezegd had

en maakten het paasmaal gereed.

Toen de avond gevallen was kwam Hij met de twaalf.

Terwijl zij aan tafel aanlagen

en de maaltijd aan de gang was zei Jezus:

C    ”Voorwaar, Ik zeg u:

een van u zal mij overleveren,

een die met Mij eet.”

L    Droefheid maakte zich van hen meester

en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen:

P    “Ik ben het toch niet?”

L    Hij antwoordde hun:

C    “Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.

Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat,

maar wee de mens

door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!

Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was,

die mens!”

 

INSTELLING VAN DE EUCHARISTIE

L    Onder de maaltijd nam Jezus brood,

sprak de zegen uit,

brak het en gaf het hun, niet de woorden:

C    “Neemt,

dit is mijn lichaam.”

L    Daarna nam Hij de beker

en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe

en zij dronken allen daaruit.

En Hij sprak tot hen:

C    “Dit is mijn bloed van het Verbond,

dat vergoten wordt voor velen.

Voorwaar, Ik zeg u:

Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt

tot op de dag waarop Ik het, nieuw

zal drinken in het Koninkrijk van God.”

 

IN DE HOF VAN OLIJVEN, VOORSPELLING VAN PETRUS’ VERLOOCHENING

L    Nadat zij de lofzang gezongen hadden

gingen zij naar de Olijfberg.

Toen sprak Jezus tot hen:

C    “Allen zult gij ten val komen,

want er staat geschreven:

Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.

Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.”

L    Toen zei Petrus:

P    “Al komen allen ten val, ik zeker niet.”

L    Jezus antwoordde hem:

C    “Voorwaar, Ik zeg u:

nog heden,

nog deze nacht,

voordat de haan tweemaal kraait,

zult juist gij Mij driemaal verloochenen.”

L    Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus:

P    “Al moest ik met U sterven,

in geen geval zal ik U verloochenen.”

L    In diezelfde geest spraken allen.

Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette.

Daar zei Hij tot zijn leerlingen:

C    “Blijft hier zitten terwijl Ik bid.”

L    Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee

en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen.

Hij sprak tot hen:

C    “Ik ben bedroefd tot stervens toe.

Blijft hier en waakt.”

L    Nadat Hij een weinig verder was gegaan

wierp Hij zich ter aarde

en bad dat dit uur, als het mogelijk was,

aan Hem mocht voorbijgaan.

C    “Abba, Vader,”

L    – zo bad Hij –

C    “voor U is alles mogelijk;

laat deze beker Mij voorbijgaan.

Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.”

L    Toen ging Hij terug en vond hen in slaap;

en Hij sprak tot Petrus:

C    “Simon, slaapt ge?

Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken?

Waakt en bidt

dat gij niet op de bekoring ingaat.

De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.”

 

L    Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden.

En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap,

want hun oogleden waren zwaar;

ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.

Toen Hij voor de derde maal terugkwam, sprak Hij tot hen:

C    “Slaapt dan maar door en rust uit.

Het is zover,

het uur is gekomen;

zie, de Mensenzoon

wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.

Staat op,

laten we gaan:

mijn verrader is nabij.”

 

HET VERRAAD

L    Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas,

een van de twaalf,

vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels,

gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.

Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:

P    “Die ik zal kussen, Hij is het;

grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.”

L    Hij ging recht op Jezus af en zei:

P    “Rabbi!”

L    En hij kuste Hem.

Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester.

Maar een van die er bij stonden, trok zijn zwaard

en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af.

Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:

C    “Als tegen een rover

zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels

om Mij gevangen te nemen.

Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel

en toch hebt ge mij niet gegrepen.

Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan.”

L    Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht.

Toch ging een jongeman,

die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen

Hem achterna.

Ze grepen hem,

maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg.

 

VOOR HET SANHEDRIN

L    Men bracht Jezus naar de hogepriester,

waar alle hogepriesters,

oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen.

Petrus volgde Hem op een afstand

tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester

en nam plaats onder het dienstvolk

om zich bij het vuur te warmen.

De hogepriester en het hele Sanhedrin

zochten naar een getuigenis tegen Jezus

om Hem ter dood te kunnen brengen,

maar zij vonden er geen.

Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in,

maar hun getuigenissen stemden niet overeen.

Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:

A    “Wij hebben Hem horen zeggen:

Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken

en in drie dagen een andere opbouwen,

die niet door mensenhanden is gemaakt.”

L    Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend.

Toen stond de hogepriester in hun midden op

en hij vroeg aan Jezus:

P    “Geeft Ge in het geheel geen antwoord?

Wat getuigen deze mensen tegen U?”

L    Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord.

Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:

P    “Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?”

L    Jezus antwoordde:

C    “Ja, dat ben Ik,

en gij zult de Mensenzoon zien zitten

aan de rechterhand van de Macht

en komen met de wolken des hemels.”

L    Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:

P    “Waartoe hebben wij nog getuigen nodig?

Ge hebt de godslastering gehoord.

Wat dunkt u?”

L    Allen spraken het vonnis uit

dat Hij de dood verdiende.

Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en,

na zijn gelaat bedekt te hebben,

Hem met de vuist te slaan, terwijl ze zeiden:

A    “Wees nu eens profeet!”

L    Ook de knechten dienden Hem slagen toe.

 

DOOR PETRUS VERLOOCHEND

L    Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond

kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester.

Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen,

keek ze hem eens aan en zei:

P    “Jij was ook bij Jezus de Nazarener.”

L    Maar hij ontkende het:

P    “Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.”

L    En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan.

Maar toen het meisje hem daar opmerkte,

verzekerde ze nog eens aan de omstanders:

P    “Die is er ook een van.”

L    Hij ontkende het opnieuw.

Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:

A    “Waarachtig, jij bent er ook een van;

je bent toch ook een Galileeër.”

L    Toen begon hij te vloeken en te zweren:

P    “Ik ken die man niet waarover jullie het hebben.”

L    Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer.

Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had:

Voordat een haan tweemaal kraait

zult ge Mij driemaal verloochenen.

En hij barstte in tranen uit.

 

JEZUS VOOR PILATUS

L    In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit:

      de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden,

      heel het Sanhedrin.

      Zij boeiden Jezus,

      voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus.

      Pilatus stelde Hem de vraag:

P    “Zijt Gij de koning der Joden?”

L    Hij antwoordde hem:

C    “Gij zegt het.”

L    Toen de hogepriesters vele beschuldigingen

      tegen Hem inbrachten,

      ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:

P    “Geeft Gij in het geheel geen antwoord?

      Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen.”

L    Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer,

      zodat Pilatus verbaasd was.

      Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten,

      degene om wie zij vroegen.

      Er zat juist een zekere Barabbas gevangen

      onder de oproermakers;

      zij hadden bij het oproer een moord begaan.

      Het volk kwam opzetten en begon te vragen

      dat hij voor hen zou doen zoals altijd.

      Pilatus antwoordde daarop met de vraag:

P    “Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?”

L    Hij zag wel in dat de hogepriesters

      Hem uit nijd overgeleverd hadden.

      Maar de hogepriesters hitsten het volk op

      te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten.

      Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:

P    “Wat moet ik dan doen met Hem,

      die gij de koning der Joden noemt?”

L    Nu schreeuwden ze opnieuw:

A    “Kruisig Hem!”

L    Daarop vroeg Pilatus hun:

P    “Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”

L    Maar zij schreeuwden nog harder:

A    “Kruisig Hem!”

L    Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven,

      geven liet hij Barabbas vrij,

      maar Jezus liet hij geselen

      en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

 

BESPOTTING EN KRUISIGING

L    Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen,

      dat wil zeggen het pretorium,

      en riepen de hele afdeling bij elkaar.

      Ze hingen Hem een purperen kleed om,

      vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op.

      Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:

A    “Gegroet, koning der Joden.”

L    Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd,

      bespuwden Hem

      en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen.

      Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden,

      ontdeden zij Hem van het purperen kleed,

      trokken Hem zijn eigen kleren aan

      en voerden Hem weg om Hem te kruisigen.

      Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam,

      Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus,

      tot het dragen van zijn kruis.

      Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota,

      wat vertaald wordt met schedelplaats.

      Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan,

      maar Hij weigerde.

      Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren

      en dobbelden om wat ieder krijgen zou.

      Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden.

      Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde:

      De koning der Joden.

      Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers,

      de een rechts, de ander links van Hem.

      Zo ging in vervulling dit Schriftwoord:

      Hij is onder de booswichten gerekend.

      Voorbijgangers hoonden Hem,

      terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:

A    “Ha, Gij daar

      die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,

      kom van het kruis af en red U zelf.”

L    In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden

      spottend onder elkaar:

A    “Anderen heeft Hij gered,

      maar zichzelf kan Hij niet redden.

      Die Messias, die koning van Israël,

      laat Hem nu van het kruis afkomen;

      dan zullen we zien en geloven!”

L    Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren,

      voegden Hem beschimpingen toe.

 

JEZUS STERFT AAN HET KRUIS

L    Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land

      tot aan het negende uur toe.

      En op het negende uur riep Jezus met luider stem:

C    “Eloï, Eloï, lama sabaktani!”

L    Dit is vertaald:

      Mijn God, mijn God,

      waarom hebt Gij Mij verlaten?

      Enkele omstanders die het hoorden zeiden:

A    “Hoor, Hij roept Elia.”

L    Een van hen ging een spons halen,

      drenkte die in zure wijn,

      stak hem op een rietstok

      en bood Hem te drinken, terwijl hij zei:

P    “Laat me begaan!

      We willen eens zien of Elia Hem er af komt halen.”

L    Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

 

Hier knielen allen gedurende enige tijd

 

L    Toen scheurde het voorhangsel van de tempel

      van boven tot onder in tweeën.

      De honderdman, die tegenover Hem post had gevat en zag

      dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven,

      riep uit:

P    “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”

 

L    Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken;

onder hen bevonden zich Maria Magdalena,

Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses,

en Salóme.

Zij waren Hem in de tijd, dat Hij in Galilea verbleef,

gevolgd om voor Hem te zorgen;

verder nog vele andere vrouwen,

die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren.

 

DE BEGRAFENIS VAN JEZUS

L    Het was al avond geworden

en het was Voorbereiding,

dat wil zeggen de dag voor de sabbat.

Jozef van Arimatéa,

een vooraanstaand lid van de Hoge Raad,

die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde,

waagde het daarom naar Pilatus te gaan

en te vragen om het lichaam van Jezus.

Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn;

hij liet dan ook de honderdman roepen

en vroeg hem of Hij al gestorven was.

Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht,

stond hij welwillend het lijk aan Jozef af.

Deze kocht een lijnwaad,

nam Hem van het kruis

en wikkelde Hem in het lijnwaad.

Daarop legde hij Hem in een graf,

dat in de rots was uitgehouwen

en rolde een steen voor de ingang ervan.

Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses

zagen toe waar Hij werd neergelegd.

 

 

Maandag 29 maart                                                                                

 

Eerste lezing (Jes. 42, 1-7)

Hij roept niet, en op straat verheft hij zijn stem niet

Zo spreekt de Heer:

“Dit is mijn Dienaar die Ik ondersteun,

mijn uitverkorene in wie Ik behagen schep:

mijn geest stort Ik over hem uit,

gerechtigheid laat hij stralen over de volken.

Hij roept niet, hij schreeuwt niet

en op straat verheft hij zijn stem niet.

Het geknakte riet zal hij niet breken,

de kwijnende vlaspit niet doven,

in waarheid zal hij de gerechtigheid laten stralen.

Onvermoeid en ongebroken

zal hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren

de verre kusten zien uit naar zijn leer.”

Zo spreekt God de Heer,

Hij, die het uitspansel schiep en het spande,

die de aarde en haar gewassen uitspreidde,

die de mensen daarop adem gaf

en een geest aan allen die er zich bewegen:

“Ik, de Heer, roep u in gerechtigheid,

Ik neem u bij de hand en waak over u

en maak u voor de mensen tot het teken van mijn verbond

en tot een licht voor de volken.

Blinden zult gij de ogen openen,

gevangenen uit hun kerker bevrijden

en uit de gevangenis allen die in duisternis zitten.”

 

Tussenzang (Ps. 27, 1.2.3.13-14)

Refrein:  De Heer is mijn licht en mijn leidsman.

 

De Heer is mijn licht en mijn leidsman,

wie zou ik vrezen;

de Heer is de schuts van mijn leven,

voor wie zou ik bang zijn?

 

Al stormen boosdoeners aan om mij te verslinden;

mijn vijanden struikelen, al mijn bestrijders bezwijken.

Al staan zij in slagorde voor mij, ik ben niet bevreesd,

al voeren zij oorlog met mij, toch blijf ik vertrouwen.

 

Ik reken er nog op tijdens mijn leven

de weldaden van de Heer te ervaren.

Ziet uit naar de Heer en houd dapper stand,

wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.

 

Vers voor het evangelie

Brengen wij hulde aan onze Koning,

want Hij alleen heeft barmhartigheid betoond

voor onze schuld.

 

Evangelie (Joh. 12, 1-11)

Laat haar begaan;

zij heeft dit gebruik onderhouden

vooruitlopend op mijn begrafenis

Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië,

waar Lazarus woonde,

die Hij uit de doden had opgewekt.

Men gaf daar een maaltijd te zijner ere.

Marta bediende

en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanlagen.

Maria nu nam een pond nardusbalsem,

echte en heel kostbare,

zalfde daarmee Jezus’ voeten

en droogde ze met haar haren af.

Het huis hing vol balsemgeur.

Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen,

dezelfde die Hem zou overleveren:

“Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht

en het geld aan de armen gegeven?”

Hij zei dat niet, omdat hij bezorgd was voor de armen,

maar omdat hij een dief was

en uit de beurs, die hij bewaarde wegnam wat erin kwam.

Jezus echter zei:

“Laat haar begaan.

Zij heeft dit gebruik onderhouden

vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis.

Want de armen houdt gij altijd bij u,

Mij echter niet altijd.”

Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen

dat Jezus daar was

en kwamen erheen,

niet alleen omwille van Jezus,

maar ook om Lazarus te zien,

die Hij uit de doden had opgewekt.

De hogepriesters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen,

omdat om hem veel Joden wegliepen en in Jezus geloofden .

 

 

Dinsdag 30 maart                                                                                  

 

Eerste lezing (Jes. 49, 1-6)

Ik maak u tot een licht voor de heidenen,

zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan

Gij eilanden, luistert naar mij!

Spitst uw oren, verre volken!

Van de moederschoot af heeft de Heer mij geroepen,

mijn naam heeft Hij al genoemd van de moederschoot af.

Hij heeft van mijn mond een scherpsnijdend zwaard gemaakt

en mij beschut met de schaduw van zijn hand.

Hij heeft mij een spitse pijl gemaakt

en mij in zijn koker geborgen.

Hij heeft mij gezegd:

“Mijn dienaar zijt gij,

Israël, door wie Ik mijn glorie ga vinden.”

Maar ik zei:

“Vruchteloos heb ik gezwoegd,

mijn kracht verging in leegte en wind,

maar toch behartigt de Heer mijn recht,

en komt mijn beloning van God.”

Thans echter heeft de Heer gesproken,

die mij van de moederschoot af tot zijn dienaar gevormd heeft

om Jakob terug te brengen naar Hem

en Israël van de ondergang te redden.

Ik sta bij de Heer in ere

en mijn God is mijn sterkte.

Hij heeft mij gezegd:

“Gij zijt niet alleen mijn dienaar

om Jakobs stammen op te richten

en de gespaarden van Israël terug te brengen.

Ik maak u nu ook tot een licht voor de heidenen,

zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan.”

 

Tussenzang (Ps. 71, 1-2.3-4a.5-6ab.15.17)

Refrein:  Ik zal uw rechtvaardigheid prijzen.

 

Tot U, Heer, neem ik mijn toevlucht,

stel mij toch nimmer teleur.

Gij zijt rechtvaardig, red en bevrijd mij,

luister en kom mij te hulp.

 

Wees mij een vluchtoord, een veilige plaats;

mijn rots en mijn burcht zijt Gij altijd geweest.

Bevrijd mij, mijn God, uit de handen der zondaars.

 

Want Gij, mijn God, Gij zijt mijn verwachting,

mijn hoop zijt Gij, Heer, sinds mijn vroegste jeugd.

Vanaf de moederschoot steun ik op U,

Gij waart mijn beschermer sinds mijn geboorte.

 

Ik zal uw rechtvaardigheid prijzen,

uw bijstand de hele dag.

Van jongsaf heb ik het ondervonden,

en nu nog prijs ik uw daden.

 

Vers voor het evangelie

Brengen wij hulde aan onze Koning.

Gehoorzaam aan de Vader

werd Hij weggebracht naar het kruis,

als een argeloos lam dat naar de slachtbank wordt geleid.

 

Evangelie (Joh. 13, 21-33.36-38)

Eén van u zal Mij overleveren;

nog eer de haan kraait zult gij Mij driemaal verloochen hebben

In die tijd toen Jezus met zijn leerlingen aan tafel aanlag

werd Hij ontroerd en bevestigde:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

een van u zal Mij overleveren.”

De leerlingen keken elkaar aan,

in het onzekere wie Hij bedoelde.

Een van de leerlingen,

degene die door Jezus bemind werd,

lag dicht tegen Jezus aan.

Simon Petrus gaf hem een teken en vroeg hem:

“Wie bedoelt Hij?”

Toen leunde deze tegen Jezus’ borst en zei:

“Heer, wie is het?”

Jezus antwoordde:

“Hij is het

aan wie Ik het stuk brood zal geven, dat Ik ga indopen.”

Na het stuk brood te hebben ingedoopt,

reikte Hij het toe aan Judas Iskariot.

En toen Judas dit had aangenomen,

voer de satan in hem.

Jezus zei hem:

“Wat gij te doen hebt,

doe dat spoedig.”

Maar niemand van de aanliggenden

begreep waarom Hij dit tot hem zei.

Omdat Judas de beurs hield,

meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg:

Koop wat wij voor het feest nodig hebben,

of dat hij iets aan de armen moest geven.

Toen hij het stuk brood had aangenomen,

ging hij terstond weg.

Het was nacht.

Na zijn vertrek zei Jezus:

“Nu is de Mensenzoon verheerlijkt

en God is verheerlijkt in Hem.

Als God in Hem verheerlijkt is

zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken,

ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken.

Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn.

Gij zult Mij zoeken, en zoals Ik tot de Joden gezegd heb:

Waar Ik heenga kunt gij niet komen,

zo zeg Ik het thans tot u.”

Simon Petrus zei Hem:

“Heer, waar gaat Gij naar toe?”

Jezus gaf hem ten antwoord:

“Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen,

later wel.”

Petrus vroeg Hem:

“Heer, waarom kan ik U niet terstond volgen?

Mijn leven zal ik voor U geven.”

Jezus antwoordde:

“Uw leven zult gij voor Mij geven?

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

Nog eer de haan kraait

zult gij Mij driemaal verloochend hebben.”

 

 

Woensdag 31 maart                                                                             

 

Eerste lezing (Jes. 50, 4-9a)

Mijn gezicht heb ik niet afgewend

van wie mij smaadden en bespuwden

De Heer heeft mij gegeven

de tong van een goede leerling,

zodat ik de moedeloze toe kan spreken.

In de morgen wekt Hij mij op om te spreken,

in de morgen wekt Hij mij op om te luisteren,

zodat ik hoor wat een leerling hoort.

God de Heer heeft tot mij gesproken

en ik heb mij niet verzet,

ik ben niet teruggedeinsd.

Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,

mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten

en mijn gezicht heb ik niet afgewend

van wie mij smaadden en bespuwden.

God de Heer zal mij helpen.

Daarom zal ik niet beschaamd staan.

Hij staat naast mij, mijn verdediger!

Wie durft mij aanklagen?

Laat ons tegenover elkaar gaan staan!

Wie is mijn tegenpartij? Hij trede op mij toe!

De Heer is mijn helper!

Wie overtuigt mij van schuld?

 

Tussenzang (Ps. 69, 8-10.21bcd-22.31.33-34)

Refrein:  Verhoor mij, omdat Gij barmhartig zijt, Heer,

nu is het de tijd van genade.

 

Om U heb ik iedere smaad verdragen,

al steeg mij het schaamrood naar het gelaat.

Een vreemdeling werd ik voor mijn verwanten,

mijn eigen broers kennen mij niet meer.

De zorg voor uw huis heeft mij uitgeteerd,

op mij kwam de hoon neer van hen die U honen.

 

De smaad heeft mijn hart gebroken,

ondragelijk is het geschimp.

Ik wachtte vergeefs op deernis,

op troost, maar ik vond ze niet.

Zij deden vergif in mijn voedsel,

zij lesten mijn dorst met azijn.

 

Gods Naam zal ik loven in mijn gezang,

Hem dankbaar overal prijzen.

Ziet toe, geringen, en weest verheugd,

schept moed, gij allen die God zoekt.

God luistert naar wat een arme Hem vraagt,

vergeet zijn gevangenen niet.

 

Vers voor het evangelie

Brengen wij hulde aan onze Koning,

want Hij alleen heeft barmhartigheid betoond

voor onze schuld.

 

Evangelie (Mt. 26, 14-25)

De Mensenzoon gaat heen, zoals van Hem geschreven staat,

maar wee de mens door wie Hij wordt overgeleverd!

In die tijd ging een van de twaalf,

Judas Iskariot geheten,

naar de hogepriesters en zei:

“Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?”

Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit.

En van toen af

zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren.

Op de eerste dag van het ongedesemde brood,

kwamen de leerlingen Jezus vragen:

“Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?”

Hij antwoordde:

“Gaat naar de stad en zegt aan die en die:

De Meester laat weten:

Mijn uur is nabij;

bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.”

De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen

en maakten het paasmaal gereed.

Toen de avond gevallen was

lag Hij met de twaalf leerlingen aan.

Onder de maaltijd sprak Hij:

“Voorwaar, Ik zeg u:

een van u zal Mij overleveren.”

Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen:

“Ik ben het toch niet, Heer?”

Hij antwoordde:

“Die met Mij zijn hand in de schotel steekt

zal Mij overleveren.

Wel gaat de Mensenzoon heen,

zoals van Hem geschreven staat,

maar wee de mens

door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!

Het zou beter voor hem zijn

als hij niet geboren was, die mens!”

Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei:

“Ik ben het toch niet, Rabbi?”

Hij antwoordde hem:

“Gij zegt het.”

 

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad” (Psalm 119)

Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom via Ideal op onze doneerpagina of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99 t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.

Hartelijk dank voor uw gave.

Noveengebed om bescherming tegen het coronavirus

O goede Moeder, Onze Lieve Vrouw ter Nood, Wij geloven in uw zorg, in uw medeleven en uw voorspraak bij Jezus uw Zoon. Daarom komen wij vol vertrouwen tot u en wij vragen door U aan de Heer:

Bevrijd heel de wereld van de Corona-epidemie, genees en sterk de zieken en zegen hen die zorg voor hen dragen. Sta alle mensen bij die lijden onder de gevolgen van deze crises. Geef wijsheid aan onze bestuurders.

Bevrijd ons van onrust en angst, verlicht ons in pijn en verdriet. Geef ons hoop waar wij het niet meer zien zitten, geef ons kracht als wij er niet tegenop kunnen, geef ons licht waar het donker is en geef dat wij elkaar spoedig weer in vrijheid en vreugde nabij kunnen zijn.
Maria, bescherm ons en onze dierbaren, geef ons overgave aan de wil van de Vader en leid ons veilig naar Jezus, uw Zoon. Amen.

Gebed van de Vrouwe van alle volkeren

Heer Jezus Christus, zoon van de Vader zend nu Uw Geest over de aarde. Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog. Moge de Vrouwe van alle Volkeren, de heilige Maagd Maria, onze voorspreekster zijn. Amen.

Gebed tot de Aartsengel Michaël

Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd. Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem zijn macht doet gevoelen en Gij, vorst der hemelse legerscharen, drijf satan en de andere boze geesten die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.

Angelus ad Virginem

℣. Angelus Domini nuntiavit Mariae
℟.Et concepit de Spiritu Sancto

Ave Maria Gratia plena, Dominus tecum Benedicta tu in mulieribus Et benedictus fructus ventris tui, Jesus.

Sancta Maria, Mater Dei. Ora pro nobis peccatoribus Nunc et in hora mortis nostrae. Amen.

℣.Ecce ancilla Domini
℟.Fiat mihi secundum verbum tuum

Ave Maria Gratia plena, Dominus tecum Benedicta tu in mulieribus Et benedictus fructus ventris tui, Jesus.

Sancta Maria, Mater Dei. Ora pro nobis peccatoribus Nunc et in hora mortis nostrae. Amen.

℣.Et Verbum caro factum est
℟.Et habitavit in nobis

Ave Maria Gratia plena, Dominus tecum Benedicta tu in mulieribus Et benedictus fructus ventris tui, Jesus.

Sancta Maria, Mater Dei. Ora pro nobis peccatoribus Nunc et in hora mortis nostrae. Amen.

℣.Ora pro nobis, Sancta Dei Genetrix
℟.Ut digni efficiamur promissionibus Christi

Oremus. Gratiam tuam, quaesumus, Domine mentibus nostris infunde ut, qui, Angelo nuntiante Christi Filii tui incarnationem cognovimus per passionem eius et crucem ad resurrectionis gloriam perducamur. Per Christum Dominum nostrum. Amen.

De Engel des Heren

℣.De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt
℟.En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest

Wees gegroet, Maria Vol van genade, de Heer is met U Gij zijt de gezegende onder de vrouwen En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God bid voor ons, zondaars nu en in het uur van onze dood. Amen.

℣.Zie de dienstmaagd des Heren
℟.Mij geschiede naar uw woord

Wees gegroet, Maria Vol van genade, de Heer is met U Gij zijt de gezegende onder de vrouwen En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God bid voor ons, zondaars nu en in het uur van onze dood. Amen.

℣.En het Woord is vlees geworden
℟.En Het heeft onder ons gewoond

Wees gegroet, Maria Vol van genade, de Heer is met U Gij zijt de gezegende onder de vrouwen En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God bid voor ons, zondaars nu en in het uur van onze dood. Amen.

℣.Bid voor ons, heilige Moeder van God, ℟.opdat wij de beloften van Christus waardig worden.

Laat ons bidden. Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel de menswording van Christus, uw Zoon, leren kennen Wij bidden U stort uw genade in onze harten opdat wij door zijn lijden en kruis gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis. Door Christus, onze Heer. Amen.