Dagelijks Brood, lezingen van de dag 22 – 27 juni 2020

Dagelijks-brood-johannes-de-doper-olvternood

Dagelijks Brood, lezingen van de dag is een klein boekje met de lezingen voor de heilige Mis van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Dagelijks Brood, lezingen van de dag 22 – 27 juni 2020

12e week door het jaar

Je kunt het boekje downloaden via deze link.

Viert met ons mee de Heilige Mis via YouTube kanaal OLV ter Nood

 

Maandag 22 juni H. Paulinus van Nola, bisschop/John Fisher, bisschop/Thomas More, martelaren

Eerste lezing (2 Kon. 17, 5-8.13-15a.18)

De Heer dulde Israël niet langer onder zijn ogen; allen de stam Juda bleef over

In die dagen ondernam Salmanassar, de koning van Assur, een veldtocht tegen het land; hij rukte op naar Samaria en belegerde de stad, drie jaar lang. In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in;hij deporteerde de Israëlieten naar Assur en wees hun een woonplaats aan in Chalach, aan de Chabor, een rivier in Gozan en in enige steden van Medië. Dit alles is gebeurd, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de Heer hun God, die hen had weggeleid uit Egypte, uit de macht van Farao, de koning van Egypte, en omdat zij andere goden vereerd hadden. De Israëlieten waren gaan leven naar de zeden van de volken, die de Heer voor hen verdreven had. Het waren de koningen van Israël, die dit gedaan hadden. De Heer had Israël en Juda bij monde van zijn profeten en zieners gewaarschuwd en gezegd: “Keert u af van uw slechte wegen en onderhoudt mijn geboden, mijn voorschriften, overeenkomstig de wet, die Ik uw vaderen gegeven heb en waarmee Ik mijn dienaren, de profeten, tot u heb gezonden.” Maar zij wilden niet luisteren en waren even halsstarrig als hun vaderen, die ook niet in de Heer hun God geloofden. Zij trokken zich niets aan van zijn voorschriften, van het verbond dat Hij gesloten had met hun vaderen en van de verordeningen, die Hij had uitgevaardigd. Daarom was de Heer hevig vertoornd geworden op Israël; Hij duldde het niet langer onder zijn ogen en vaagde het weg. Er bleef niets over, alleen de stam Juda.

Tussenzang (Ps. 60, 3, 4-5, 12-13)

Refrein:  Reik ons uw hand, Heer, hoor ons gebed.

Gij hebt ons neergeslagen, God, ons front doorbroken.

Gij zijt vertoornd: keer tot ons weer.

De aarde beeft, haar rotsen splijten; herstel haar scheuren vóór zij breekt.

Gij hebt uw volk een harde les gegeven, een beker wijn, die ons doet duizelen.

Wie anders, God, dan Gij die ons verstoten hebt, die onze legers niet meer vergezelt?

Wees onze bondgenoot tegen de vijand, want mensenhulp betekent niets.

Vers voor het evangelie (Ps. 119, 135)

Alleluia. Laat voor uw dienaar uw Aangezicht stralen, Heer, laat mij uw beschikkingen zien. Alleluia. 

Evangelie (Mt. 7, 1-5)

Haal eerst de balk uit uw eigen oog

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden, en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken. Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog! Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder.”

Dinsdag 23 juni                                                                                      

Eerste lezing (2 Kon. 19, 9b-11.14-21.31-35a.36)

Ik neem deze stad onder mijn hoede om haar te redden, omwille van Mijzelf en omwille van David, mijn dienaar

In die dagen zond Sanherib van Assur opnieuw gezanten naar Hizkia, met de boodschap: “Dit moet gij zeggen tot Hizkia, de koning van Juda: Laat u niet bedriegen door uw God, op wie ge vertrouwt, en meen niet dat Jeruzalem aan de handen van de koning van Assur zal ontsnappen. Gij hebt toch zelf gehoord wat de koningen van Assur alle landen hebben aangedaan, die ze met de ban geslagen hebben? En zoudt gij dan gered worden?” Hizkia nam de boodschap van de gezanten aan en las die. Toen ging hij naar de tempel en legde de brief open voor de Heer. En voor de Heer sprak Hizkia daar het volgende gebed: “Heer, God van Israël, die op de kerubs troont, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde, Gij die de hemel en de aarde hebt gemaakt. Heer, neig uw oor en luister; Heer, open uw ogen en zie toe hoor met welke woorden Sanherib de levende God laat honen. Inderdaad, Heer, de koningen van Assur hebben de volken en hun landen verwoest en hebben hun goden in het vuur geworpen: het waren dan ook geen goden, maar slechts maaksels van mensenhanden, hout en steen; daarom konden zij die vernietigen. Maar Gij, Heer onze God, verlos ons toch uit zijn greep, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen dat alleen Gij, Heer, God zijt.” Toen liet Jesaja, de zoon van Amos, tot Hizkia zeggen: “Zo spreekt de Heer, de God van Israël: Ik heb het gebed gehoord dat gij tot Mij hebt gericht omwille van Sanherib, de koning van Assur. Dit is het woord dat de Heer tegen hem heeft uitgesprokenZij veracht u, zij bespot u, de maagd, de dochter Sion; achter uw rug schudt zij het hoofd, de dochter van Jeruzalem! Want uit Jeruzalem komt een rest, van de berg Sion komt wat gespaard blijft; de ijverzuchtige liefde van de Heer zal dit bewerken. Daarom spreekt de Heer aldus over de koning van Assur: Hij komt deze stad niet binnen, geen pijl schiet hij op haar af, met geen schild komt hij haar te na, geen wal werpt hij tegen haar op. Langs de weg die hij gekomen is, keert hij terug, en deze stad komt hij niet binnen. Zo luidt het orakel van de Heer: Ik neem deze stad onder mijn hoede om haar te redden, omwille van Mijzelf en omwille van David, mijn dienaar.” Die nacht trok de engel van de Heer uit en hij doodde in de legerplaats van de koning van Assur honderdvijfentachtigduizend man. Sanherib, de koning van Assur, brak op, keerde naar zijn land terug en bleef in Nineve.

Tussenzang (Ps. 48, 2, 3-4, 10-11)

Refrein:  De stad van de Heer, God houdt haar voor eeuwig in stand.

Groot is de Heer, Hij zij hooggeprezen in onze Godsstad Jeruzalem.

Zijn heilige berg rijst daar schitterend op, een vreugde voor ieder op aarde.

Voor ons is de Sion de Godenberg, de stad van de Grote Koning.

God zelf, die binnen haar burchten verblijft, Hij toont zich een veilige vesting.

Wij vieren uw goedertierenheid, God, hier binnen uw tempelmuren.

Zover als uw Naam reikt, reikt ook uw roem tot aan de grenzen der aarde.

Weldadig is alles wat komt uit uw hand.

Vers voor het evangelie (Ps. 130, 5)

Alleluia.Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik. Alleluia.

Evangelie (Mt. 7, 6.12-14)

Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren. Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten. Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen zijn er die hem inslaan. Hoe nauw toch is de poort en hoe smal is de weg, die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden.”

 

Woensdag 24 juni Geboorte van de H. Johannes de doper, Hoogfeest

Eerste lezing (Jes. 49, 1-6)

Ik stel u aan tot licht van de heidenvolkeren

Luistert naar mij, eilanden, spitst de oren, volkeren van ver: De Heer heeft mij vanaf de moederschoot geroepen, vanaf de schoot mijner moeder heeft Hij mijn naam genoemd. Hij heeft mijn mond tot een snedig zwaard gemaakt, met de schaduw van zijn hand heeft Hij mij bedekt. Hij maakte van mij een geslepen pijl, en in zijn koker heeft Hij mij geborgen. Hij sprak tot mij: “Mijn dienaar zijt gij, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken.” En ik heb gezegd: “Vergeefs heb ik mij afgetobd, mijn kracht loopt uit op leegheid en wind, maar mijn recht is bij de Heer, en mijn beloning bij mijn God.” Nu echter sprak de Heer, die mij vormde tot zijn knecht vanaf de moederschoot, om Jakob terug te brengen tot Hem en opdat Israël voor Hem zou worden verzameld. – Ik ben verheerlijkt in de ogen van de Heer, en mijn God is mijn sterkte. – Hij sprak: “Het is te gering, dat gij mijn dienaar zijt, om Jakobs stammen op te richten en de gespaarden van Israël terug te brengen. Ik stel u aan tot licht van de heidenvolkeren om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde der aarde.”

Tussenzang (Ps. 139, 1-3, 13-14, 15)

Refrein:  Ik dank U, Heer, voor het wonder van mijn leven.

Gij kent mij, Heer, en Gij doorschouwt mij, Gij ziet mij waar ik ga of sta.

Van verre kent Gij mijn gedachten, Gij weet waarom ik bezig ben of rust.

Want wat er in mij is hebt Gij geschapen, Gij hebt mij als een weefsel in de moederschoot gevormd.

Ik dank U voor het wonder van mijn leven, voor alle wonderwerken die Gij hebt gemaakt.

Gij weet ook alles wat er omgaat in mijn geest, mijn diepste wezen is U niet verborgen.

Toen ik geheimnisvol werd voortgebracht, mijn levensdraden in de schoot gevlochten werden.

Tweede lezing (Hand. 13, 22-26)

Johannes predikte reeds vóór het optreden van Christus

In die dagen zei Paulus: “Nadat God Saul verworpen had, verhief Hij David tot koning van het volk Israël. Van deze gaf Hij het getuigenis: Ik heb David gevonden, de zoon van Isaï, een man naar mijn hart, die mijn wil in alles zal volbrengen. Uit diens nakomelingschap heeft God volgens belofte voor Israël een Verlosser doen voortkomen, Jezus; nadat reeds Johannes vóór zijn optreden een doopsel van bekering had gepredikt aan heel het volk van Israël. Toen Johannes aan het einde van zijn loopbaan was zei hij: Wat ge meent dat ik ben, ben ik niet; maar na mij komt iemand wiens schoeisel ik niet waard ben los te maken. Mannen broeders, zonen uit Abrahams geslacht en godvrezenden onder u: tot ons is dit woord van verlossing gezonden.”

Vers voor het evangelie (Lc. 1, 76)

Alleluia. Gij, kind, profeet van de Allerhoogste zult ge worden genoemd, want voorafgaan zult gij aan de Heer en gij zult zijn wegen bereiden. Alleluia.

Evangelie (Lc. 1, 57-66.80)

Johannes is zijn naam

In die tijd brak voor Elisabeth het ogenblik aan dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon. Toen de buren en de familie hoorden hoe groot de barmhartigheid was, die de Heer aan haar had betoond, deelden zij in haar vreugde. Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen. Maar zijn moeder zei daarop: “Neen, het moet Johannes heten.” Zij antwoordden haar: “Maar er is in uw familie niemand die zo heet.” Met gebaren vroegen zij toen aan zijn vader hoe hij het wilde noemen. Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef er op: “Johannes zal hij heten.” Ze stonden allen verbaasd. Onmiddellijk daarop werd zijn mond geopend, zijn tong losgemaakt en verkondigde hij Gods lof. Ontzag vervulde alle omwonenden en in heel het bergland van Judea werd al het gebeurde rondverteld. Ieder die het hoorde, dacht er over na en vroeg zich af: “Wat zal er worden van dit kind?” Want de hand des Heren was met hem. Het kind groeide op en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israël in het openbaar vertoonde.

 

Donderdag 25 juni H. Adelbert, diaken

Eerste lezing (2 Kon. 24, 8-17)

De koning van Babel voerde Jojakin en alle dappere mannen in ballingschap Babel

Jojakin was achttien jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde drie jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta en was een dochter van Elnatan, afkomstig uit Jeruzalem. Hij deed wat de Heer mishaagde, juist zoals zijn vader gedaan had. In die tijd trokken de veldheren van Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en sloegen het beleg voor de stad. Tijdens het beleg verscheen Nebukadnessar, de koning van Babel, zelf voor de stad. Toen gaf koning Jojakin van Juda met zijn moeder, zijn hovelingen, zijn hoge ambtenaren en kamerheren zich over aan de koning van Babel. En deze nam hem gevangen. Het was in het achtste jaar van zijn regering. Nebukadnessar sleepte alle schatten van de tempel van de Heer en van het koninklijk paleis uit Jeruzalem weg en haalde het goud af van alle voorwerpen die koning Salomo van Israël in de tempel van de Heer had laten maken, juist zoals de Heer voorzegd had. Uit Jeruzalem voerde hij alle hoge ambtenaren en alle krijgers, een konvooi van tienduizend man, met alle smeden en slotenmakers, in ballingschap weg; niemand bleef er over dan alleen de armsten van het land. Hij voerde Jojakin naar Babel; ook de moeder van de koning, zijn vrouwen, zijn kamerheren en de voornaamsten van het land, voerde hij van Jeruzalem naar Babel. Zeventienduizend krijgers, duizend smeden en slotenmakers, alle dappere mannen die bij de oorlog betrokken waren, werden door de koning van Babel in ballingschap weggevoerd, Daarna stelde de koning van Babel Mattanja, die een oom was van Jojakin, in diens plaats tot koning aan en veranderde zijn naam in Sidkia.

Tussenzang (Ps. 79, 1-2, 3-5, 8, 9)

Refrein:  God van ons heil, om uw Naam, bevrijd ons.

God, heidenen zijn in uw erfdeel gedrongen, zij hebben uw heilige tempel ontwijd en maakten uw stad tot een puinhoop.

Uw dienaren hebben zij omgebracht, hun lijken liggen als aas voor de vogels, de wilde dieren eten hun vlees.

Als water vloeide hun bloed van de muren en niemand was er die hen begroef.

Wij wekken de spotlust van onze buren, die rondom ons wonen smalen op ons.

Hoelang nog, Heer, blijft Gij eeuwig verbolgen en laat Gij uw gramschap branden als vuur?

Laat ons niet boeten voor vroegere zonden,kom met uw barmhartigheid ons tegemoet, want wij zijn maar zwakke mensen.

Ach, help ons, God van ons heil, om uw Naam, bevrijd ons, vergeef onze zonden.

Vers voor het evangelie (cf. Hand. 16, 14b)

Alleluia. Maak ons hart ontvankelijk, Heer, en dat wij ons richten naar het woord van uw Zoon. Alleluia.

Evangelie (Mt. 7, 21-29)

Het ene huis was op rotsgrond, het andere op zand gebouwd

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan? Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! Ieder nu die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond gegrondvest op de rots. Maar ieder die deze woorden van Mij hoort doch er niet naar handelt, kan men vergelijken met een dwaas die zijn huis bouwde op het zand. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij beukten dat huis, zodat het volledig verwoest werd.” Toen Jezus deze toespraak geëindigd had was het volk buiten zichzelf van verbazing over zijn leer. Want Hij onderrichtte niet zoals hun schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit.

 

Vrijdag 26 juni                                                                                        

Eerste lezing (2 Kon. 25, 1-12)

Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd

In het negende regeringsjaar van Sidkia, in de tiende maand, op de tiende dag van de maand, trok Nebukadnessar, de koning van Babel, in eigen persoon met heel zijn krijgsmacht op tegen Jeruzalem; hij sloeg er zijn kamp op en wierp er een wal omheen. De belegering duurde tot aan het elfde regeringsjaar van Sidkia. Op de negende dag van de maand, toen de hongersnood al zo nijpend was geworden dat er voor het volk van het land geen brood meer was, werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Ofschoon de Chaldeeën rondom de stad lagen, verlieten de krijgslieden ‘s nachts de stad door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin en vluchtten in de richting van de Araba. Het leger van de Chaldeeën zette koning Sidkia achterna en haalde hem in op de vlakte van Jericho, nadat zijn leger uiteengevallen was. Zij namen de koning gevangen en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla. Deze sprak het vonnis over hem uit. De zonen van Sidkia werden voor zijn ogen afgeslacht en vervolgens liet hij Sidkia de ogen uitsteken en hem geboeid met twee bronzen kettingen naar Babel wegvoeren. In de vijfde maand, op de zevende dag van de maand, in het negentiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babel, trok Nebuzaradan, commandant van de lijfwacht en adjudant van de koning van Babel, Jeruzalem binnen. Hij stak de tempel van de Heer, het koninklijk paleis en alle huizen van Jeruzalem in brand; alle grote gebouwen liet hij in vlammen opgaan. Het leger van de Chaldeeën, dat onder bevel stond van de commandant van de lijfwacht, sloopte de muur van Jeruzalem. Wat van het volk in de stad nog was overgebleven, alsook degenen die naar de koning van Babel waren overgelopen, de rest van de bevolking, werd door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, in ballingschap weggevoerd. Alleen de armsten van het volk liet de commandant van de lijfwacht achter om te zorgen voor wijngaarden en akkers.

Tussenzang (Ps. 137, 1-2, 3, 4-5, 6)

Refrein:  Moge mijn tong in mijn mond blijven kleven als ik aan u niet meer denk!

Wij zaten aan Babylons stromen en weenden denkend aan Sion; en aan de wilgen die daar staan hingen de citers.

Onze ontvoerders vroegen gezangen, onze verdrukkers een vrolijk lied: zingt ons van Sion!

Zouden wij dan van de Heer kunnen zingen hier in dit vreemde land?

Als ik, Jeruzalem, u ooit vergeet moge mijn hand verlammen.

Moge mijn tong in mijn mond blijven kleven als ik aan u niet meer denk; als ik Jeruzalem zou willen ruilen voor wat plezier.

Vers voor het evangelie (cf. Ef. 1, 17-18)

Alleluia. De God van onze Heer Jezus Christus moge ons innerlijk oog verlichten, om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij ons roept. Alleluia.

Evangelie (Mt. 8, 1-4)

Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen

Toen Jezus van de berg was afgedaald volgde Hem een talrijke menigte. Een melaatse kwam naar Hem toe en smeekte Hem op zijn knieën: “Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen.” Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en zei: “Ik wil, word rein.” En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. Jezus sprak tot hem: “Zorg er voor dat ge het niemand zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer de gave die Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren.”

 

Zaterdag 27 juni H. Cyrillus van Alexandrie, bisschop en kerkleraar

Eerste lezing (Klaagl. 2, 2.10-14, 18-19)

Roep met uw hart tot de Heer, de schutsmuur van Sion.

Meedogenloos heeft de Heer het gebied van Jakob verwoest en in zijn woede heeft Hij de sterkten van Juda geslecht. Eerloos zijn rijk en bestuurders ter aarde geworpen. Zwijgend zitten de oudsten van Sion neer op de grond, in zakken gekleed en met as op het hoofd. Jeruzalems meisjes laten het hoofd hangen. Mijn ogen zijn moe van geween; hoe branden mijn ingewanden, ontzonken is mij de moed mijn volk is zozeer geslagen, kinderen en zuigelingen sterven op straat. Zij vroegen hun moeder nog: “Waar is het brood en de wijn?” maar streden gewond met de dood inde straten der stad, en gaven de geest op de schoot van hun moeder. Wat kan ik nog zeggen, waarmee Jeruzalem, u vergelijken? Wat kan ik nog aanvoeren, Sion, om u te troosten ? Uw wonden zijn groot als de zee en niemand die u geneest. De visioenen van uw profeten zijn leugen en bedrog. Ze wekken geen schuldbesef en wenden de rampen niet af. Waardeloos zijn hun orakels, misleidend. Roep met uw hart tot de Heer, de schutsmuur van Sion. Houd met wenen niet op, geef aan uw ogen geen rust en de vrije loop aan uw tranen, dag en nacht. Roep, geheel de nacht,, tot de Heer, stort uw hart als water uit. Bid, met de handen geheven, dat uw kinderen leven, die nu op de hoeken der straten

Tussenzang (Ps. 74, 1-2, 3-5a, 5b-7, 20-21)

Refrein:  Vergeet niet achteloos het leven van uw kleinen, Heer.

Hebt Gij uw kudde nu voorgoed verstoten? Mijn God, laait dan uw gramschap telkens op?

Denk aan uw volk, dat Gij U hebt verworven, de stammen die Gij hebt gekocht als uw bezit, de Sion die Gij U als woonplaats hebt gekozen.

Richt weer uw schreden naar die eindeloze puinhoop; de vijand heeft al wat daar stond verwoest.

Waar wij U zochten schreeuwen nu uw tegenstanders en plaatsen er hun standaard als trofee.

Zoals men met de aks een weg baant door het oerwoud, zo slaan zij met houweel en bijl uw poorten in.

Uw tempel heeft men prijsgegeven aan de vlammen, de woonplaats van uw Naam op aarde is ontwijd.

Zij zeiden: laat ons alles tot de grond verwoesten; uw heiligdommen werden platgebrand in heel het land.

Denk, Heer, aan uw verbond : de maat is vol, uit alle holen en spelonken loert de boosheid.

Stel het vertrouwen der verdrukten niet teleur, laat armen en behoeftigen U loven.

Vers voor het evangelie (2 Tim. 1, 10b)

Alleluia. Onze Heiland Jezus Christus heeft de dood vernietigd, en onvergankelijk leven doen aanlichten door het evangelie. Alleluia.

Evangelie (Mt. 8, 5-17)

Velen zullen komen uit het oosten en het westen, en met Abraham, Isaäk en Jakob aanzitten in het Rijk der hemelen

Toen Jezus in Kafarnaüm aangekomen was, kwam een honderdman naar Hem toe die, zijn hulp inriep met de woorden: “Heer, mijn knecht ligt verlamd in mijn huis en lijdt vreselijk pijn?” Hij sprak tot hem: “Ik zal hem komen genezen?” Maar de honderman antwoordde: “Heer, ik ben het niet waard dat Gij onder mijn dak komt; maar een enkel woord van U is voldoende om mijn knecht te doen genezen. Want al ben ik zelf een ondergeschikte, ik heb weer manschappen onder mij; en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt; en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.” Toen Jezus dit hoorde stond Hij verwonderd en zei tot hen die Hem volgden: “Voorwaar, Ik zeg u: Bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden. Ik zeg u, dat velen uit het oosten en het westen zullen komen en met Abraham en Isaak en Jakob zullen aanzitten in het Rijk der hemelen; maar de kinderen van het Rijk zullen buitengeworpen worden in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.” En tot de honderdman sprak Jezus: Ga: zoals gij geloofd hebt geschiede u.” En op datzelfde ogenblik werd de knecht gezond. Toen Jezus in het huis van Petrus gekomen was vond Hij diens schoonmoeder met koorts te bed liggen. Hij raakte haar hand aan en zij werd vrij van koorts; zij stond op en bediende Hem. Toen de avond gevallen was bracht men veel bezetenen bij Hem; Hij dreef door een woord de geesten uit, en alle zieken genas Hij, opdat in vervulling zou gaan wat door de profeet Jesaja gezegd was: Hij heeft onze zwakheden weggenomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad” (Psalm 119)

 

Noveengebed

om bescherming tegen het coronavirus

O goede Moeder, Onze Lieve Vrouw ter Nood,
Wij geloven in uw zorg, in uw medeleven
en uw voorspraak bij Jezus uw Zoon.
Daarom komen wij vol vertrouwen tot u
en wij vragen door U aan de Heer:
Bevrijd ons land van de Corona-epidemie,
genees en sterk de zieken en zegen hen die zorg voor hen dragen.
Geef wijsheid aan onze bestuurders en geef dat wij spoedig
weer kunnen samenkomen om ons geloof te vieren.

Bevrijd ons van onrust en angst, verlicht ons in pijn en verdriet.
Geef ons hoop waar wij het niet meer zien zitten,
geef ons kracht als wij er niet tegenop kunnen,
geef ons licht waar het donker is.
Maria, bescherm ons en onze dierbaren,
geef ons overgave aan de wil van de Vader
en leid ons veilig naar Jezus, uw Zoon.
Amen

Imprimatur: Haarlem, 14 maart 2020 +Johannes Hendriks

 

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl

Gebed van de Vrouwe van alle volkeren

Heer Jezus Christus, zoon van de Vader zend nu Uw Geest over de aarde. Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog. Moge de Vrouwe van alle Volkeren, de heilige Maagd Maria, onze voorspreekster zijn. Amen

Gebed tot de Aartsengel Michaël

Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd. Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem zijn macht doet gevoelen en Gij, vorst der hemelse legerscharen, drijf satan en de andere boze geesten die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen

Angelus ad Virginem

℣. Angelus Domini nuntiavit Mariae
℟.Et concepit de Spiritu Sancto

Ave Maria Gratia plena, Dominus tecum Benedicta tu in mulieribus Et benedictus fructus ventris tui, Jesus Sancta Maria, Mater Dei.
Ora pro nobis peccatoribus Nunc et in hora mortis nostrae. Amen.

℣.Ecce ancilla Domini
℟.Fiat mihi sectundum verbum tuum

Ave Maria . . .

℣.Et Verbum caro factum est
℟.Et habitavit in nobis

Ave Maria . . .

℣.Ora pro nobis, Sancta Dei Genetrix,
℟.Ut digni efficiamur promissionibus Christi

Oremus
Gratiam tuam, quaesumus, Domine mentibus nostris infunde ut, qui, Angelo nuntiante Christi Filii tui incarnationem cognovimus per passionem eius et crucem ad resurrectionis gloriam perducamur Per Christum Dominum nostrum. Amen

De Engel des Heren

℣.De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt
℟.En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest

Wees gegroet, Maria Vol van genade, de Heer is met U Gij zijt de gezegende onder de vrouwen En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.
Heilige Maria, Moeder van God bid voor ons, zondaars nu en in het uur van onze dood. Amen.

℣.Zie de dienstmaagd des Heren
℟.Mij geschiede naar uw woord

Wees gegroet, Maria . . .

℣.En het Woord is vlees geworden
℟.En Het heeft onder ons gewoond

Wees gegroet, Maria . . .

℣.Bid voor ons, heilige Moeder van God,
℟.opdat wij de beloften van Christus waardig worden

Laat ons bidden

Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel de menswording van Christus, uw Zoon, leren kennen Wij bidden U stort uw genade in onze harten opdat wij door zijn lijden en kruis gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis Door Christus, onze Heer. Amen.