Dagelijks Brood 9– 14 april 2018

goddelijke-barmhartigheid-zondag

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van de Tweede Week in de Paastijd maandag t/m zaterdag 9 – 14 april 2018

U kunt hier deze week downloaden in PDF

Maandag 9 april aankondiging van de Heer – Maria Boodschap – hoogfeest

(Vanwege de Goede Week en Pasen is het hoogfeest van Maria Boodschap (25 maart) uitgesteld en wordt op maandag 9 april gevierd)

eerste lezing (Jes. 7, 10-14)
In die dagen sprak Jesaja tot Achaz: “Vraag de Heer, uw God, om een teken, hetzij hoog aan de hemel of diep in de hel.” Maar Achaz antwoordde: “Ik vraag niet om een teken; ik wil de Heer niet op de proef stellen.” En Jesaja sprak: “Luister dan, Huis van David, is het u niet genoeg mensen te ergeren, dat gij ook mijn God tot ergernis wilt zijn? Daarom geeft de Heer u ook ongevraagd een teken: Zie, de maagd zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen ‘Immanuël’: ‘God-met-ons’.”’

tussenzang (Ps. 40/39)
Ja, ik kom, Heer, om uw wil te doen.
Geschenk en offerande hebt Gij nooit verlangd, maar wel hebt Gij mijn oren voor uw stem geopend. Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij; dus zei ik: ja, ik kom, zoals van mij geschreven staat.
Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde, uw wet is in mijn hart gegrift. In de bijeenkomsten heb ik gerechtigheid gepredikt, mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het.
Ik hield uw weldaden niet in mijn hart verborgen, uw trouw, uw bijstand maakte ik bekend. Uw gunsten heb ik niet geheim gehouden, noch uw getrouwheid, voor de mensen om mij heen.

tweede lezing (Hebr. 10, 4-10)
Broeders en zusters, het is uitgesloten, dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen. Daarom zegt Christus dan ook, als Hij in de wereld komt: “Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor mij een lichaam bereid. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei ik: Hier ben ik. Zoals er in de boekrol over mij geschreven staat: Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen.” Eerst zegt Hij: “Slachtoffers en gaven, brandoffers en zoenoffers hebt Gij niet gewild; die konden U niet behagen, hoewel de wet voorschrijft dat ze gebracht moeten worden”. En dan zegt Hij: “Hier ben ik, ik ben gekomen om uw wil te doen”. Hij schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden. Door die wil zijn wij geheiligd, eens voor al, door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

vers voor het evangelie
Alleluia. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd. Alleluia.

evangelie (Lc. 1, 26-38)
In die tijd werd de engel Gabriël van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd, die verloofd was met een man, die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria. Hij trad bij haar binnen en sprak: “Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u, Gij zijt de gezegende onder de vrouwen.” Zij schrok van dat woord en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen. Maar de engel zei tot haar: “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen en gij moet Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.” Maria echter sprak tot de engel: “Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?” Hierop gaf de engel haar ten antwoord: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht, heilig genoemd worden, Zoon van God. Weet dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk.” Nu zei Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” En de engel ging van haar heen.

Dinsdag 10 april

eerste lezing (Hand. 4, 32-37)
De menigte die het geloof had aangenomen was één van hart en één van ziel en er was niemand, die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk. Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen. Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte. Zo bezat Jozef, een leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen – dit betekent: zoon van vertroosting – een akker die hij verkocht en waarvan hij het geld meebracht om het aan de voeten van de apostelen neer te leggen.

tussenzang (Ps. 93/92)
De Heer is koning, met luister omkleed.
De Heer is koning, met luister omkleed, met macht heeft de Heer zich omgord.
Zo vast als de aarde, onwankelbaar, zo vast staat uw troon door de eeuwen, van eeuwigheid, God, zijt Gij!
Betrouwbaar is alles wat Gij betuigt, uw huis zij heilig in lengte van dagen.

vers voor het evangelie (Rom. 6, 9)
Alleluia. Christus, eenmaal van de doden verrezen sterft niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Alleluia.

evangelie (Joh. 3, 7-15)
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij moet opnieuw geboren worden. De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hij vandaan komt, en waar hij heen gaat: zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.” Nikodémus gaf Hem ten antwoord: “Hoe kan dat geschieden?” Daarop zei Jezus weer: “Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten, en Wij getuigen van wat Wij gezien hebben, maar onze getuigenis aanvaardt gij niet. Wanneer ge zelfs niet gelooft als Ik u spreek over dingen, die op aarde reeds bekend zijn, hoe zult gij dan geloven als Ik u spreek over dingen, die nog in de hemel verborgen zijn? Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon. En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben.”

Woensdag 11 april

eerste lezing (Hand. 5, 17-26)
In die dagen werden de hogepriester en heel zijn aanhang, die de partij der Sadduceeën vormden met hevige afgunst vervuld. Zij grepen de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis. Maar in de nacht ontsloot een engel des Heren de deuren van de gevangenis, leidde hen naar buiten en zei: “Gaat, treedt weer op in de tempel en predikt aan het volk al deze woorden des Levens.” Zij gaven hieraan gehoor, gingen tegen de morgen naar de tempel en gaven er onderricht. Toen nu de hogepriester kwam met de zijnen riepen zij het Sanhedrin bijeen, de raad der oudsten van het volk van Israël en stuurden dienaren naar de gevangenis om hen te halen. Maar bij aankomst vonden de dienaren hen niet meer in de kerker. Zij keerden terug met het bericht: “Wij vonden de gevangenis stevig op slot en de wachten voor de deuren op hun post, maar toen wij opendeden troffen wij niemand aan.” Toen zij dit vernamen vroegen de tempelcommandant en de hogepriesters – ongerust daarover – zich af wat voor gevolgen dit zou kunnen hebben. Maar iemand kwam hun melden: “De mannen, die gij in de kerker hebt gezet, bevinden zich in de tempel en onderrichten het volk.” Daarop ging de bevelhebber met zijn dienaren hen halen, maar zonder geweld te gebruiken, uit angst door het volk gestenigd te worden.

tussenzang (Ps. 34/33)
Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer.
De Heer zal ik prijzen iedere dag, zijn lof ligt mij steeds op de lippen. Mijn geest is fier op de gunst van de Heer, laat elk die het hoort zich verheugen.
Verheerlijkt de Heer te zamen met mij en laat ons eendrachtig zijn Naam vereren. Ik ging tot de Heer en Hij heeft mij verhoord, Hij heeft mij gered uit al wat ik vreesde.
Verlaat u op Hem, dan wordt ge gelukkig, want Hij stelt u niet teleur. Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer en redt hen uit hun ellende.
De engel van God legt een schans om hen heen, om elk die God vreest te beschermen. Let op en bemerkt hoe genadig de Heer is, gelukkig is hij die zijn heil zoekt bij Hem.

vers voor het evangelie (Kol. 3, 1)
Alleluia. Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Alleluia.

evangelie (Joh. 3, 16-21)
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus: “Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods. Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren. Ieder die slecht handelt heeft een afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden. Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.”

Donderdag 12 april

eerste lezing (Hand. 5, 27-33)
In die dagen namen de dienaren van de bevelhebber de apostelen mee en brachten hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon hen te ondervragen: “Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden in die Naam onderricht te geven? “Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen.” Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt, aan wie gij u vergrepen hebt door Hem aan het kruis te slaan. Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.” Toen zij dit hoorden, ontstaken zij in woede en besloten hen te doden.

tussenzang (Ps. 34/33)
Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer.
De Heer zal ik prijzen iedere dag, zijn lof ligt mij steeds op de lippen. Let op en bemerkt hoe genadig de Heer is, gelukkig is hij die zijn heil zoekt bij Hem.
Van boosdoeners keert Hij zijn aangezicht af, zij worden op aarde vergeten. Naar vromen die roepen luistert de Heer en redt hen uit iedere nood.
De Heer is nabij voor rouwmoedige harten, Hij helpt wie zijn schuld erkent. Veel rampen zullen de vrome bedreigen, uit elk daarvan redt hem de Heer.

vers voor het evangelie
Alleluia. Hij die alles riep in het bestaan en zich ontfermde over ons, zijn mensen, Hij is verrezen, Christus de Heer! Alleluia.

evangelie (Joh. 3, 31-36)
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus: “Wie van boven komt, staat boven allen. Wie van de aarde is behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde. Wie uit de hemel komt staat boven allen. Hij legt getuigenis af van wat Hij zag en hoorde, maar toch aanvaardt niemand zijn getuigenis. Wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bezegelt daarmee dat God waarachtig is. Want Hij, die door God gezonden is spreekt Gods eigen woorden: zo mateloos schenkt God zijn Geest. De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven. Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwig leven. Wie weigert in de Zoon te geloven zal het leven niet zien, integendeel, de toorn Gods blijft op hem.”

Vrijdag 13 april

eerste lezing (Hand. 5, 34-42)
In die dagen was er in het Sanhedrin een Farizeeër, Gamaliël, een wetgeleerde, die bij het gehele volk in aanzien stond. Hij liet de apostelen een ogenblik naar buiten brengen. Daarop zei hij: “Mannen van Israël, bedenkt wel wat gij met deze mannen gaat doen. Vóór onze tijd immers trad Teudas op, die beweerde dat hij iemand van betekenis was en bij wie zich een groep van ongeveer vierhonderd man aansloot. Hij werd gedood en allen die op hem vertrouwden, werden uiteengejaagd. Na hem, in de dagen van de volkstelling, trad Judas de Galileeër op en sleepte veel volk mee, en allen die op hem vertrouwden, werden verstrooid. Wat ons geval betreft zeg ik u: bemoeit u niet met deze mensen, maar laat ze hun gang gaan. Gaat deze opzet of dit werk van mensen uit, dan zal het op niets uitlopen. Gaat het echter van God uit, dan zult gij hen niet uiteen kunnen slaan; anders zou misschien blijken dat gij tegen God in verzet zijt.” Zij lieten zich door hem overreden. Zij riepen de apostelen, lieten hen geselen, verboden hun te spreken in de Naam van Jezus en stelden hen in vrijheid. De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de Naam van Jezus. Zij gingen door met dagelijks in de tempel en in de huizen onderricht te geven en de blijde Boodschap te verkondigen dat Jezus de Messias is.

tussenzang (Ps 27/26)
Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef.
De Héer is mijn licht en mijn leidsman, wie zou ik vrezen: de Heer is de schuts van mijn leven, voor wie zou ik bang zijn?
Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef. Dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren, zijn tempel weer met eigen ogen mag zien.
lk reken er op nog tijdens mijn leven de weldaden van de Heer te ervaren. Zie uit naar de Heer en houd dapper stand, wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.

vers voor het evangelie
Alleluia. Christus stond op uit het graf en werd een Licht voor allen, die Hij vrijkocht in zijn bloed. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 1-15)
In die dagen begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias. Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan de zieken deed. Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden. Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam vroeg Hij aan Filippus: “Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?” Dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. Filippus antwoordde Hem: “Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.” Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: “Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo’n aantal?” Jezus echter zei: “Laat de mensen gaan zitten.” Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend. Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde. Toen ze verzadigd waren, zei Hij tot zijn leerlingen: “Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.” Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren. Toen de mensen het teken zagen, dat Hij had gedaan zeiden ze: “Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.” Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in’ het gebergte terug, geheel alleen.

Zaterdag 14 april

eerste lezing (Hand. 6, 1-7)
In die dagen, toen het aantal leerlingen steeds toenam, begonnen de Hellenisten tegen de Hebreeën te morren, omdat bij de dagelijkse ondersteuning hun weduwen achtergesteld werden. De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: “Het past niet dat wij het woord Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning. Ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden, terwijl wij onszelf zullen blijven wijden aan het gebed en aan de bediening van het woord.” Dit voorstel vond instemming bij de gehele vergadering en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige geest, Filippus, Próchorus, Nikánor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Dezen werden aan de apostelen voorgedragen, die na gebed hun de handen oplegden. Het woord Gods breidde zich uit en het aantal leerlingen in Jeruzalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen aan het geloof.

tussenzang (Ps. 33/32)
Geef ons, Heer, uw barmhartigheid, zoals wij op U vertrouwen.
Jubelt, gerechtigen, voor de Heer, wie vroom is dient Hem te loven. Eert dan de Heer met citerspel, en speelt voor Hem op de harp.
Oprecht is immers het woord van de Heer en al wat Hij doet is betrouwbaar. Recht en gerechtigheid heeft Hij lief, de aarde is vol van zijn mildheid.
God is het die zijn dienaars bewaakt, hen die op zijn gunst vertrouwen. Dat Hij hen redden zal van de dood, bij hongersnood hen zal voeden.

vers voor het evangelie
Alleluia. Christus stond op uit het graf, Hij die voor ons stierf op een kruis. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 16-21)
Toen het avond werd daalden de leerlingen van Jezus naar het meer af. Zij gingen scheep en zetten koers naar de overkant van het in de richting van Kafarnaüm. Toen de duisternis reeds was ingevallen, was Jezus nog niet bij hen gekomen. Het meer werd woelig, want er stond veel wind. Na ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën geroeid te hebben, zagen zij Jezus te voet over het meer tot vlak bij de boot komen en zij werden bevreesd. Maar Jezus sprak tot hen: “Ik ben het, weest niet bang.” Zij wilden Hem aan boord nemen, maar vlak daarop bereikte de boot de kust waarheen zij op weg waren.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten,
een licht op mijn pad” (Psalm 119)

Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl
(bron)

share