Dagelijks Brood 22-27 Januari 2018

Dagelijks Brood Bijbellezingen

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi. De teksten worden genomen van de website van de Dionysiusparochie in Heerhugowaard.

Wij proberen dit boekje iedere week zondagavond, of uiterlijk maandagmorgen, beschikbaar te stellen op onze site. Wanneer u het print kunt u het als A5 boekje printen door de indeling te kiezen ‘boekbinding’.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van maandag t/m zaterdag
22 – 27 januari 2018

Download hier deze week in PDF formaat

Maandag 22 januari H. Vincentius, diaken en martelaar (g)

Eerste lezing (2 Sam. 5, 1-7.10)
In die dagen begaven alle stammen van Israël zich naar David in Hebron, en zeiden: “Hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed. Vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, waart gij degene, die de troepen van Israël aanvoerde. Daarenboven heeft de Heer u verzekerd: Gij zult mijn volk Israël weiden: gij zijt het, die over Israël zult heersen.” Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron, en koning David sloot daar met hen een verbond ten overstaan van de Heer; zij zalfden David tot koning over Israël. David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar lang. In Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda ,en in Jeruzalem drieëndertig jaar over geheel Israël en Juda. De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, de bewoners van de streek. Die riepen David toe: “Hier komt u niet binnen! Voorwaar, blinden en kreupelen houden u tegen.” Ze bedoelden: David komt hier nooit binnen. Toch veroverde David de vesting Sion, de Davidstad. En de macht van David nam steeds meer toe: de Heer, de God van de hemelse machten stond hem bij.

Tussenzang (Ps. 89/88)
Refrein: Mijn trouw en mijn genade leiden hem.
Eertijds zijt Gij aan uw profeet verschenen en hebt Gij uw besluit geopenbaard: een sterke man heb Ik de troon geschonken, een uitverkorene genomen uit het volk.
Mijn dienaar David heb Ik opgezocht en hem gezalfd met mijn gewijde olie; als teken dat mijn hand hem steeds zal steunen en dat mijn arm hem kracht verlenen zal.
Mijn trouw en mijn genade leiden hem, mijn Naam zal hem de zege schenken. Zijn hand laat Ik hem leggen op de zee, zijn rechter op de stromen in het oosten.

Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 34)
Alleluia. Geef mij begrip om uw wet na te leven, Heer, om haar te volgen met heel mijn hart. Alleluia.

Evangelie (Mc. 3, 22-30)
In die tijd zeiden de schriftgeleerden over Jezus, dat Beëlzebub in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. Jezus riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: “Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is, kan dat rijk geen stand houden. Wanneer een huis innerlijk verdeeld is, zal dat huis geen stand kunnen houden. En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen, die zij uitgesproken hebben, maar als iemand lastert tegen de heilige Geest, krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde. Dit omdat zij gezegd hadden: er huist een onreine geest in Hem.

Dinsdag 23 januari

Eerste lezing (2 Sam. 6, 12b-15.17-19)
In die dagen bracht David de ark van God uit het huis van Obededom vol vreugde naar de Davidstad over. Nadat de dragers van de ark zes stappen gezet hadden, offerde David een gemeste stier. Onderweg danste hij geestdriftig voor de Heer uit, slechts gekleed in een linnen borstkleed. Zo brachten David en alle Israëlieten onder gejuich en bazuingeschal de ark van de Heer over. Zij werd de stad binnengedragen en op haar plaats gebracht, midden in de tent die David voor haar had opgezet. Daarna droeg David brand- en slachtoffers op aan de Heer. Na het opdragen van de brand- en slachtoffers zegende hij het volk met de Naam van God, de Heer van de hemelse machten. Aan alle aanwezigen, aan alle Israëlieten die daar bijeenwaren, mannen en vrouwen, liet hij een plat brood, een klomp dadels en een rozijnenkoek uitdelen. Daarop ging iedereen naar huis.

Tussenzang (Ps. 24/23)
Refrein: Wie is deze Koning der glorie? De Heer is de Koning der glorie.
Poorten, heft uw kroonlijsten op, gaat open, aloude deuren: de Koning der glorie moet binnengaan.
Wie is deze Koning der glorie? De Heer, de sterke, de machtige, de Heer, de held in de strijd.
Poorten, heft uw kroonlijsten op, gaat open, aloude deuren: de Koning der glorie moet binnengaan.
Wie is deze Koning der glorie? De Heer van de hemelse machten, Hij is de Koning der glorie.
Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 36a.29b)

Alleluia. Mijn hart zij gericht op wat Gij verordent, Heer; geef mij uw wet als gids. Alleluia.

Evangelie (Mc. 3, 31-35)
Eens kwamen Jezus’ moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: “Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U.” Jezus gaf hun ten antwoord: “Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?” En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen, die in een kring om Hem heen zaten zei Hij: “Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij, die de wil van God volbrengen.”

Woensdag 24 januari H. Franciscus van Sales, bisschop en kerkleraar

Eerste lezing (2 Sam. 7, 4-17)
In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot Natan: “Zeg aan mijn dienaar David: Zo spreekt de Heer: Gij wilt voor Mij een huis bouwen en Mij daarin laten wonen? Ik heb nooit in een huis gewoond, sinds de tijd dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot vandaag toe; steeds ben Ik meegetrokken in een tent, waar Ik in verbleef. Zolang Ik met de Israëlieten meetrok, heb Ik nooit aan iemand gevraagd: Waarom bouwt gij Mij niet een huis van cederhout? Aan geen van de stammen van Israël, die Ik had aangesteld om mijn volk te hoeden. Zeg daarom aan mijn dienaar David: Zo spreekt God, de Heer van de hemelse machten: Ik heb u uit de steppe gehaald, achter de schapen vandaan, om vorst te zijn over mijn volk Israël. Op al uw tochten heb Ik u bijgestaan, al uw vijanden heb Ik vernietigd, uw naam heb Ik groot gemaakt als die van de
groten der aarde. Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven en het daar geplant om er te wonen. Het wordt niet meer opgeschrikt en door geen boosdoeners verdrukt, zoals vroeger, in de tijd dat Ik over Israël, mijn volk, rechters had aangesteld. Ik heb gezorgd dat al uw vijanden u met rust laten. De Heer kondigt u aan dat Hij voor u een huis zal oprichten. Als uw dagen voleind zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat, die gij verwekt, hoog verheffen en zijn koninklijke macht in stand houden. Hij zal een huis bouwen ter ere van mijn Naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. Ik zal hem tot vader zijn en hij zal mijn zoon zijn. Als hij de verkeerde weg opgaat, zal Ik hem kastijden met slagen en striemen, even goed als andere mensen. Maar nooit zal Ik hem uit mijn gunst verstoten, zoals Ik gedaan heb met Saul, die Ik verstoten heb om plaats te maken voor u. Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd standhouden; uw troon staat vast voor eeuwig.” Al deze woorden, heel dit visioen, bracht Natan over aan David.

Tussenzang (Ps. 89/88)
Refrein: Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade.
Ik heb met David een verbond gesloten, mijn uitverkoren dienaar met een eed beloofd: Ik zal uw nageslacht in stand houden voor eeuwig, in alle tijden blijft uw troon bestaan.
Hij zal Mij aanroepen: Gij zijt mijn Vader, mijn God, de steenrots van mijn heil. Ik wijs hem aan als eerstgeborene, als hoogste van de koningen der aarde.
Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade, voor immer blijft mijn bond met hem van kracht. Ik zal aan zijn geslacht geen einde maken, noch aan zijn troon, zolang de hemel dagen heeft.
Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 105)

Alleluia. Uw woord is een lamp voor mijn voeten, Heer, het is een licht op mijn pad. Alleluia.

Evangelie (Mc. 4, 1-20)
In die tijd begon Jezus te leren aan de oever van het meer. Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een boot, die op het water lag, moest stappen om daar plaats te nemen, terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond. Hij leerde hun vele dingen door middel van gelijkenissen, en in zijn onderrichting zei Hij tot hen: “Luistert. Eens ging een zaaier uit om te zaaien. Toen hij aan het zaaien was, viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken waar het niet veel aarde had; het schoot snel op, omdat het in ondiepe grond lag. Maar toen de zon was opgekomen kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het zaad verstikte en geen vrucht opleverde. Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en doordat het opschoot en zich ontwikkelde, leverde het vrucht op en bracht het dertig-, zestig- en honderdvoudige voort.” En Hij voegde er aan toe: “Wie oren heeft om te horen, hij luistere.” Toen Hij weer alleen was, stelde zijn omgeving, ook de twaalf, Hem vragen omtrent de gelijkenissen. Hij antwoordde hun: “Aan u is het geheim van het Rijk Gods geschonken, maar zij die erbuiten staan, krijgen alles in gelijkenissen, opdat zij wel scherp kijken met hun ogen, maar niet zien, en wel luisteren met hun oren, maar niet verstaan, opdat zij zich niet zouden bekeren en vergiffenis krijgen.” En Hij vervolgde: “Begrijpt ge deze gelijkenis niet? Hoe zult ge dan alle gelijkenissen verstaan? De zaaier zaait het woord. Die op de weg – waar het woord gezaaid wordt – zijn de mensen bij wie als zij het gehoord hebben, terstond de satan komt en
het woord wegrooft, dat gezaaid ligt in hun binnenste. Op dezelfde manier zijn zij die op de rotsachtige plekken gezaaid worden de mensen die, als zij het woord gehoord hebben, het terstond met blijdschap opnemen; maar zij hebben geen wortel geschoten, leven bij het ogenblik, en als zij omwille van het woord onderdrukt of vervolgd worden, komen zij onmiddellijk ten val. Die tussen distels gezaaid worden, zijn weer anderen, die het woord wel gehoord hebben, maar wanneer de zorgen van de wereld, de begoocheling van de rijkdom en de begeerten naar al het andere binnendringen, verstikken deze het woord en zo blijft het zonder vrucht. De in de goede grond gezaaiden zijn de mensen, die het woord horen, het in zich opnemen en vrucht dragen: dertig-, zestig- en honderdvoudig.”

Donderdag 25 januari Bekering van de H. apostel Paulus (F)

Eerste lezing (Hand. 22, 3-16)
In die dagen zei Paulus tot het volk: “Ik ben een jood, geboren te Tarsus in Cilicië, maar hier in deze stad grootgebracht en aan de voeten van Gamaliël opgevoed volgens de strenge opvattingen van de voorvaderlijke Wet. Ik was een ijveraar voor God zoals gij allen heden zijt en ik heb deze Weg vervolgd ten dode toe, mannen en vrouwen in boeien geslagen en in de gevangenis geworpen, zoals trouwens de hogepriester en de hele raad der oudsten van mij kunnen getuigen. Met brieven van hen trok ik naar de broeders in Damascus om ook de mensen daar geboeid naar Jeruzalem te voeren en te laten bestraffen. Maar onderweg, toen ik al dicht bij Damascus was, omstraalde mij rond het middaguur plotseling een fel licht uit de hemel. Ik viel ter aarde en ik hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heer? Hij hernam: Ik ben Jezus van Nazaret, die gij vervolgt. Mijn metgezellen zagen wel het licht, maar hoorden niet de stem van Hem die mij toesprak. Ik zei: Wat moet ik doen, Heer? En de Heer weer tot mij:
Sta op en vervolg uw reis naar Damascus, daar zal men u alles zeggen wat gij te doen hebt. Omdat ik echter niet zien kon tengevolge van de schittering van het licht, werd ik door mijn gezellen bij de hand geleid en zo kwam ik in Damascus aan. Een zekere Ananias, een wetgetrouw man die om zijn goede naam en faam bekend staat bij alle joodse ingezetenen, kwam mij bezoeken, ging vóór mij staan en sprak: Saul, broeder, word weer ziende! Op hetzelfde ogenblik zag ik hem staan. Toen zei hij: De God van onze vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen, de Rechtvaardige te zien en een stem uit diens mond te horen, omdat gij voor Hem bij alle mensen zult moeten getuigen van wat ge gezien en gehoord hebt. Wat aarzelt gij dan nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van zijn Naam.”

of:
Eerste lezing (Hand. 9, 1-22)
In die dagen ging Saulus, wiens ziedende woede nog steeds de leerlingen van de Heer met de dood bedreigde, naar de hogepriester aan wie hij brieven vroeg voor de synagogen in Damascus, om er alle aanhangers van de Weg die hij zou vinden, mannen zowel als vrouwen, gevangen naar Jeruzalem te mogen voeren. Toen hij op zijn tocht Damascus naderde, omstraalde hem plotseling een licht uit de hemel. Hij viel ter aarde en hoorde een stem die hem zei: “Saul, Saul, Waarom vervolgt gij Mij?” Hij sprak: “Wie zijt gij Heer?” Hij antwoordde: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad in, daar zal iemand u zeggen wat ge doen moet.” Zijn reisgezellen stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. Saulus stond van de grond op, maar hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. Zij namen hem dus bij de hand en brachten hem Damascus binnen. Drie dagen lang kon hij niet zien en at of dronk hij niet. Nu woonde er in Damascus een leerling die Ananias heette en tot hem sprak de Heer in een visioen: “Ananias.” Hij antwoordde: “Hier ben ik, Heer.” De Heer vervolgde: “Begeef u naar de Rechte
Straat en vraag in het huis van Judas naar Saulus van Tarsus, hij is juist in gebed.” Deze zag reeds in een visioen een man, Ananias, binnenkomen en hem de handen opleggen opdat hij weer zou zien. Maar Ananias wierp tegen: “Heer, ik heb van velen gehoord hoeveel kwaad die man uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Ook hier heeft hij van de hogepriesters volmacht om allen, die uw Naam aanroepen, in boeien te slaan.” De Heer beval hem: “Ga, want die man is mijn uitverkoren werktuig om mijn Naam uit te dragen onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israël. Ik zal hem laten zien hoeveel hij om mijn Naam moet lijden.” Toen begaf Ananias zich naar het huis, trad binnen en legde hem de handen op met de woorden: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus die u op de weg hierheen verschenen is, opdat ge weer zien moogt en vervuld moogt worden van de heilige Geest.” Op hetzelfde ogenblik vielen hem als het ware de schellen van de ogen. Hij zag weer en terstond liet hij zich dopen. Hij nam voedsel tot zich en kwam weer op krachten. Enige tijd bleef hij bij de leerlingen in Damascus. Terstond begon hij in de synagoge Jezus te prediken en zei: “Deze is de Zoon Gods.” Alle toehoorders stonden verbaasd en zeiden: “Is dat niet de man, die in Jeruzalem de belijders van deze Naam uitroeide, en is hij niet hier gekomen om hen geboeid naar de hogepriesters te voeren?” Maar Saulus werd met steeds groter kracht bezield en bracht de joden die in Damascus woonden in verwarring door te bewijzen: Deze is de Messias.

Tussenzang (Ps. 117/116)
Refrein: Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping. (Mc. z6, 15).
of: Alleluia.
Looft nu de Heer, alle naties der aarde, huldigt de Heer, alle volken rondom.
Omdat Hij bij ons zijn goedheid getoond heeft; de trouw van de Heer houdt in eeuwigheid stand.
Vers voor het evangelie (Joh. 15, 16)

Alleluia. Ik heb u uitgekozen en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn. Alleluia.

Evangelie (Mc. 16, 15-18)
In die tijd verscheen Jezus aan de elf en zei: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen: in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen, zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen; en als ze aan zieken de handen opleggen zullen dezen genezen zijn.”

Vrijdag 26 januari HH. Timoteüs en Titus, bisschoppen (g)

Eerste lezing (2 Tim. 1, 1-8)
Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, volgens de belofte van het leven dat in Christus Jezus is, aan Timóteüs, zijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede voor u vanwege God de Vader en onze Heer Christus Jezus! Het is met dankbaarheid jegens God, die ik evenals mijn voorouders met een zuiver geweten tracht te dienen, dat ik uw naam noem in mijn gebeden, zonder ophouden, dag en nacht. Als ik denk aan uw tranen, verlang ik vurig u weer te zien om weer helemaal gelukkig te zijn. En uw ongeveinsd
geloof komt mij voor de geest, dat geloof dat eerst uw grootmoeder Loïs en uw moeder Eunike bezield heeft en nu ook, daarvan ben ik zeker, leeft in u. Vergeet dus niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade, die in u is door de oplegging van mijn handen. Want God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen. Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene. Draag uw deel in het lijden voor het evangelie door de kracht van God.

of:
Eerste lezing (Tit. 1, 1-5)
Van Paulus, dienstknecht van God en apostel van Jezus Christus, om Gods uitverkorenen te brengen tot het geloof en de kennis van de ware godsdienst, in de hoop op het eeuwig leven. Reeds lang geleden heeft God die niet liegt, eeuwig leven beloofd en nu, te zijner tijd, heeft Hij zijn woord openbaar gemaakt in de verkondiging die mij is toevertrouwd door een opdracht van God onze Heiland. Paulus aan Titus, zijn wettig kind in het gemeenschappelijk geloof: Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en Christus Jezus onze Heiland! Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij de organisatie van de kerk zoudt voltooien door in elke stad presbyters aan te stellen volgens de richtlijnen die ik u heb gegeven.

Tussenzang (Ps. 96/95)
Refrein: Meldt aan de naties Gods heerlijkheid, zijn wondere daden aan alle volken.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer, alle landen. Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.
Verkondigt zijn heil alle dagen, meldt aan de naties zijn heerlijkheid, zijn wondere daden aan alle volken.
Huldigt de Heer, alle stammen en volken, huldigt de Heer om zijn glorie en macht, huldigt de Heer om de roem van zijn Naam.
Zegt tot elkander: de Heer regeert! Onwrikbaar heeft Hij de aarde geschapen, de volken bestuurt Hij met billijkheid.
Vers voor het evangelie (Lc. 4, 18-19)

Alleluia. De Heer heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken. Alleluia.

Evangelie (Lc. 10, 1-9)
In die tijd wees de Heer tweeënzeventig leerlingen aan en zond hen twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen waarheen Hijzelf van plan was te gaan. Hij sprak tot hen: “De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten. Gaat dan, maar zie, Ik zend u als lammeren tussen wolven. Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel en groet niemand onderweg. Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis! Woont daar een vredelievend mens dan zal uw vrede op hem rusten, zo niet, dan zal hij op u terugkeren. Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden; want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt, eet wat u wordt voorgezet, geneest de zieken, die er zijn en zegt tot hen: Het Rijk Gods is u nabij.

Zaterdag 27 januari H. Angela Merici (g)

Eerste lezing (2 Sam. 12 1-7a.10-17)
In die dagen zond de Heer de profeet Natan naar David. Hij trad bij de koning binnen en sprak tot hem: “Twee mannen, een rijke en een arme, woonden in dezelfde stad. De rijke bezat heel veel schapen en runderen, de arme maar één enkel lammetje, dat hij gekocht had. Hij had het in leven kunnen houden en het was bij hem opgegroeid, tussen zijn kinderen; het dier at van zijn bord, het dronk uit zijn beker en het sliep op zijn schoot; het was net zijn dochter. Eens kreeg de rijke man bezoek. Hij kon het niet over zich verkrijgen, een schaap of rund uit zijn eigen kudde te nemen en dat klaar te maken voor de reiziger, die bij hem was gekomen. Hij pakte het lam van de arme en maakte dat klaar voor zijn gast.” David was diep verontwaardigd over die man en hij zei tot Natan: “Zowaar de Heer leeft: de man die dat gedaan heeft, verdient de dood. En het lam moet hij vierdubbel vergoeden, omdat hij er niet voor is teruggeschrokken zo iets ergs te doen.” Toen sprak Natan tot David: “Die man, dat zijt gij! “ Zo spreekt de Heer, de God van Israël: Het zwaard zal nooit meer wijken van uw huis, omdat ge Mij hebt geminacht en de vrouw van Uria de Hethiet tot vrouw hebt genomen. Zo spreekt de Heer: Voorwaar, uit uw eigen huis ga Ik rampspoed over u brengen; Ik zal, waar ge zelf bijstaat, uw vrouwen van u wegnemen en ze geven aan iemand die u nastaat; op klaarlichte dag zal die met uw vrouwen gaan slapen. Gij hebt in het verborgene gehandeld, maar Ik zal handelen ten aanschouwen van heel Israël en op klaarlichte dag.” Toen zei David tot Natan: “Ik heb tegen de Heer gezondigd.” Natan antwoordde: “Dan heeft de Heer u deze zonde vergeven gij zult niet sterven. Maar omdat gij door deze daad de vijanden van de Heer reden tot lasteren hebt gegeven, zal wel het kind dat u geboren is, moeten sterven.” Daarop ging Natan naar huis en de Heer sloeg het kind dat de vrouw van Uria aan David geschonken had, met een zware ziekte. En David bad tot God voor de jongen; hij vastte streng en als hij zich terugtrok voor de nacht, legde
hij zich op de grond te slapen. De oudsten van het hof drongen er bij hem op aan dat hij niet langer op de grond zou slapen, maar hij wilde niet luisteren; hij weigerde ook met hen te eten.

Tussenzang (Ps. 51/50)
Refrein: Schep in mij een zuiver hart, mijn God.
Schep in mij een zuiver hart, mijn God, geef mij weer een vastberaden geest. Wil mij niet verstoten van uw Aanschijn, neem uw heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij weer de weelde van uw zegen, maak mij sterk in edelmoedigheid. Dan zal ik de dwalenden uw wegen leren, alle schuldigen terugvoeren tot U.
Houd mij ver van bloedschuld, God mijn redder, dan bezingt mijn tong uw wijs beleid. Heer, maak Gij mijn lippen los, dat mijn mond uw lof kan zingen.
Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 88)

Alleluia. Wees mij barmhartig en laat mij leven, Heer, dan blijf ik aan wat Gij verordent trouw. Alleluia.

Evangelie (Mc. 4, 35-41)
Op zekere dag, tegen het vallen van de avond, sprak Jezus tot zijn leerlingen: “Laten we oversteken.” Zij stuurden het volk weg en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat; andere boten begeleidden Hem. Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot, zodat hij al vol liep. Intussen lag Jezus aan de achtersteven op het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Hij stond
op, richtte zich met een dwingend woord tot de wind en sprak tot het water: “Zwijg stil!” De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. Hij sprak tot hen: “Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar: “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”

Dagelijks Brood is een uitgave van
het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten,
een licht op mijn pad” (Psalm 119)

Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Hartelijk dank voor uw gave
Verdere info: www.olvternood.nl
(teksten: www.dionysiusparochie.nl)

share