Dagelijks Brood 19 – 24 maart 2018

olv-ter-nood-heiloo-sint-jozef

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van maandag t/m zaterdag 19 – 24 maart 2018

Week 5 van de Veertigdagentijd

Maandag 19 H. Jozef, Bruidegom van de H. Maagd Maria

Eerste lezing
In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot de profeet Natan: “Zeg aan mijn dienaar David: Zo spreekt de Heer: Als uw dagen voleind zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt, hoog verheffen en zijn koninklijke macht in stand houden. Hij zal een huis bouwen ter ere van mijn Naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. Ik zal hem tot vader zijn en hij zal mijn zoon zijn. Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd stand houden; uw troon staat vast voor eeuwig.”

Tussenzang (Ps. 89/88)
Refrein: Zijn nageslacht zal blijven voor altijd.
Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen, uw trouw verkondigen aan elk geslacht. Gij hebt gezegd; mijn gunst blijft eeuwig duren, de hemel is de grondslag van mijn trouw.
Ik heb met David een verbond gesloten, mijn uitverkoren dienaar met een eed beloofd: Ik zal uw nageslacht in stand houden voor eeuwig, in alle tijden blijft uw troon bestaan.

Tweede lezing (Rom. 4, 13.16-18.22)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome.
Broeders en zusters, de belofte aan Abraham en zijn nakomelingen, dat zij de wereld zouden erven, steunt niet op de wet, maar op de gerechtigheid van het geloof. Daarom hangt het af van het geloof en dus van de genade en is de belofte verzekerd voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen, die de wet hebben ontvangen, maar voor allen, die het geloof navolgen van ons aller vader Abraham. Van hem staat immers geschreven: “Ik heb u vader gemaakt van vele volken.” Hij is dit voor het aanschijn van God, in wie hij heeft geloofd, die de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept. Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, gelijk hem gezegd was: “Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.” Daarom werd het hem als gerechtigheid aangerekend.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Vers voor het evangelie (Ps. 84/83, 5)
Gelukkig zij, die wonen in uw huis, o Heer, die U daar altijd mogen prijzen.

Evangelie (Mt. 1, 16.18-21.24a)
Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria, en uit haar werd Jezus geboren, die Christus wordt genoemd. De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze: Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger van de heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer, die tot hem sprak: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een Zoon ter wereld brengen, die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.” Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.

ofwel

Evangelie (Lc. 2, 41-51a)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
De ouders van Jezus reisden ieder jaar bij gelegenheid van het paasfeest naar Jeruzalem. En overeenkomstig het gebruik bij dit feest gingen zij opnieuw daarheen toen Hij twaalf jaar geworden was. Maar na afloop van die dagen bleef het kind Jezus, terwijl zij terugkeerden, in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. In de mening dat Hij zich bij de karavaan bevond, gingen zij een dagreis ver en zochten Hem toen onder familieleden en vrienden. Omdat zij Hem niet vonden, keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug. Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij te midden van de leraren zat naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. Allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden. Toen zij Hem daar opmerkten, stonden zij verslagen. Zijn moeder zei tot Hem: “Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.” Maar Hij antwoordde: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging met hen mee naar Nazaret en was hun onderdanig.

Dinsdag 20 maart

Eerste lezing (Num. 21, 4-9)
In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: “Hebt gij ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.” Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. Nu kwam het volk naar Mozes en zei: “Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd. Bid de Heer, dat hij die slangen van ons wegneemt.” Toen bad Mozes voor het volk en de Heer zei tot hem: “Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.” Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.

Tussenzang (Ps. 102/101)
Refrein: Heer, verhoor mijn gebed, laat mijn geroep U bereiken.
Heer, verhoor mijn gebed, laat mijn geroep U bereiken. Verberg uw gelaat niet voor mij, wanneer de zorgen mij drukken. Schenk mij uw aandacht, Heer, verhoor mij zodra ik U aanroep.
De heidenen zullen uw Naam weer duchten, de vorsten der aarde uw heerlijkheid, Heer, wanneer Gij de muren van Sion herbouwt, wanneer Gij daar weerkeert in volle luister, wanneer Gij de stem der geplunderden hoort, hun smeekbeden niet naast U neerlegt.
Stelt dit dan op schrift voor het komend geslacht en laat onze zonen de Heer ervoor danken. De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte, Hij ziet uit de hemel op aarde neer. Hij zal het geschrei der gevangenen horen, verlossen die aan de dood zijn gewijd.

Vers voor het evangelie (ps. 130/129, 5.7)
Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik, want de Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt.

Evangelie (Joh. 8, 21-30)
In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën: “Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga, kunt gij niet komen.” De joden zeiden daarop: “Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?” Maar Hij hernam: “Gij zijt van beneden, Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.” Zij vroegen Hem toen: “Wie zijt Gij dan?” Jezus antwoordde: “Waarom zou Ik eigenlijk daar nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft is waarachtig, en wat Ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.” Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en dat Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft is met Mij, Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem behaagt.” Toen Hij aldus sprak gingen er velen in Hem geloven.

Woensdag 21 maart

Eerste lezing (Dan. 3, 14-20.91.92.95)
In die dagen vroeg koning Nebukadnessar aan de mannen Sadrak, Mezak en Abednego: “Is het waar dat gij mijn god niet vereert en het gouden beeld, dat ik heb opgericht, niet aanbidt? Welnu, zijt gij bereid om bij het horen van de klanken van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten u neer te werpen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb? Weigert gij dat, dan wordt ge op staande voet in het laaiende vuur van een oven geworpen en welke god zal u dan uit mijn macht kunnen bevrijden?” Zij gaven de koning ten antwoord: “Nebukadnessar, wij vinden het niet nodig op uw vraag een antwoord te geven. Als er een god is die dat kan, dan is het onze God, die wij vereren: Hij is in staat ons te bevrijden uit het laaiende vuur van een oven en Hij zal ons ontrukken aan uw greep, koning. Maar de koning zij ervan overtuigd, dat, ook als God ons niet redt, wij uw god niet vereren en het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, niet aanbidden.” Toen werd Nebukadnessar woedend op hen en zijn gelaat vertrok, hij gaf bevel de oven zevenmaal heter te stoken dan gewoonlijk, en de sterksten uit zijn leger droeg hij op deze mannen te binden en in de laaiende vuuroven te werpen. Maar plots schrok koning Nebukadnessar, stond ijlings op en zei tot zijn raadsheren: “Wij hebben toch drie mannen geboeid in het vuur geworpen?” Zij gaven de koning ten antwoord: “Zeker, koning!” Hij hernam: “Maar ik zie vier mannen ongeboeid en zonder letsel zich in het vuur bewegen, de vierde gelijkt op een godenzoon.” Toen sprak Nebukadnessar: “Geloofd zij de God van Sadrak, Mezak en Abednego: Hij heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden, die vol vertrouwen op Hem het bevel van de koning hebben overtreden en hun lichamen hebben prijsgegeven, omdat ze geen god wilden vereren of aanbidden dan hun eigen God.”

Tussenzang (Dan. 3)
Refrein: U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen uw heilige roemrijke Naam, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij in het huis van uw glorie, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij op de troon van uw koninkrijk, U komt de lof toe in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij, die de diepten doorschouwt, tronend op kerubs, in alle eeuwen.
Geprezen zijt Gij in de koepel des hemels, U komt de lof toe in alle eeuwen.

Vers voor het evangelie (Mt. 4, 4b)
Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.

Evangelie (Joh. 8, 31-42)
In die tijd zei Jezus tot de Joden, die in Hem geloofden: “Indien gij trouw blijft aan mijn woord zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken. Men wierp op: “Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u al wie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. Wie eeuwig in het huis blijft is de Zoon. Als de Zoon u vrij maakt, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt, niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt. Zij antwoordden Hem: “Onze vader is Abraham.” Daarop zei Jezus hun: “Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham. Thans echter zoekt gij Mij, een mens, te doden terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.” Zij zeiden Hem: “Wij zijn niet uit ontucht geboren, één vader hebben wij en dat is God.” Jezus zeide hun: “Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.”

Donderdag 22 maart

Eerste lezing (Gen. 17, 3-9)
In die tijd wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: “Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. Gij zult niet langer Abram heten, uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond. Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.” Verder zei God nog tot Abraham: “Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht.”

Tussenzang (Ps. 105/104)
Refrein: Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht.
Verlaat u op God, op zijn machtige arm, blijft altijd zijn Aanschijn zoeken. Vergeet nooit de wonderen die Hij deed, zijn tekenen en zijn beloften.
Gij, kroost van zijn dienaar Abraham, gij zonen van Jakob, zijn welbeminde. De Heer, Hij is onze enige God, wat Hij beslist geldt voor heel de aarde.
Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht, wat Hij beloofd heeft voor duizend geslachten. De bond die Hij vroeger met Abraham sloot, de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.

Vers voor het evangelie (cf. Lc. 8, 15)
Zalig zij die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid.

Evangelie (Joh. 8, 51-59)
In die tijd zei Jezus tot de Joden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.” Toen zeiden de Joden Hem: “Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken. Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham die wel gestorven is? Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij Uzelf wel?” Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf verheerlijk, dan is mijn glorie niets, maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet. Ik daarentegen ken Hem en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien: hij heeft hem gezien en zich verheugd.” Toen zeiden de Joden tot Hem: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik.” Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen, maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

Vrijdag 23 maart
H. Turibius de Mogrovejo, bisschop, gedachtenis

Eerste lezing (Jer. 20, 10-13)
Ik hoor velen fluisteren: “Daar heb je ontzetting – overal.” Breng hem aan, ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken. God de Heer is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze iets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.

Tussenzang (Ps. 18/17)
Refrein: Ik wendde mij tot de Heer in mijn nood, zijn oor ving mijn noodkreten op.
Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder. Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind.
Mijn schild, mijn behoud, mijn bescherming. Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen, dan doet geen vijand mij kwaad.
Want golven van doodsgevaar sloten mij in, een stortvloed van onheil maakte mij angstig. Het net van het dodenrijk hield mij gevangen, de strik van de dood lag reeds om mij heen.
Toen wendde ik mij tot de Heer in mijn nood en riep ik mijn God aan om hulp. Hij hoorde mijn stem in zijn hoge paleis, zijn oor ving mijn noodkreten op.

Vers voor het evangelie (Lc. 15, 18)
Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u.

Evangelie (Joh. 10, 31-42)
In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: “Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?” De Joden gaven Hem ten antwoord: “Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.” Jezus antwoordde hun: “Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.” Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: “Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei was waar.” En velen begonnen daar in Hem te geloven.

Zaterdag 24 maart

Eerste lezing (Ez. 37, 21-28)
Zo zegt God de Heer: “Ik zal de kinderen van Israël, die overal verspreid onder de heidenvolken leven, bijeenbrengen en hen terugvoeren naar hun eigen grond. Ik zal hen tot één enkel volk maken, in het land, op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Zij zullen niet langer twee volken zijn, niet langer verdeeld zijn over twee rijken. Zij zullen zich niet meer bezoedelen met hun afgoden, hun gruwelbeelden en al hun misdaden. Uit de trouweloosheden waaraan zij zich bezondigd hebben zal Ik hen verlossen en Ik zal hen reinigen, zodat zij mijn volk zijn en Ik hun God. Dan zal mijn dienaar David koning over hen zijn, zij zullen allen één herder hebben. Zij zullen leven volgens mijn geboden en mijn wetten werkelijk onderhouden. Zij zullen wonen in het land, dat Ik mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land waar hun vaderen gewoond hebben, zij en hun kinderen en hun kleinkinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten: een altijddurend verbond zal het zijn. Ik zal hun een woonplaats geven, Ik zal hen talrijk maken en mijn heiligdom voor altijd onder hen vestigen. Mijn woning zal bij hen zijn. Zo zullen de heidenvolken weten, dat Ik, de Heer, Israël heilig maak, doordat mijn heiligdom voor altijd onder hen is.”

Tussenzang (Jer. 31)
Refrein: De Heer zal ons hoeden, zoals een herder zijn kudde.
Volkeren, hoort dan het woord van de Heer, geeft er berucht van op verre kusten. Hij die Israël eens heeft verstrooid zal het verzamelen, zal het behoeden, zoals een herder zijn kudde hoedt.
Jakob zal worden bevrijd door de Heer, los uit de greep van hem die het roofde. Juichend betreden zij Sion weer, zetten zich neer waar de Heer hen zegent.
Meisjes dansen een vreugdedans, samen met jongens en grijsaards. Dan breng Ik vreugde in plaats van rouw, troost en blijdschap na al hun droefheid.

Vers voor het evangelie (Joh. 3, 16)
Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan.

Evangelie (Joh. 11, 45-56)
Vele Joden, die in die dagen naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden “Wat doen we? Want die man verricht veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.” Maar een van hen, Kájafas, die dat jaar hogepriester was zei hun: “Gij begrijpt er niets van, ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.” Dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar, profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden. Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraïm waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit de streek vóór Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar terwijl ze in de tempel stonden: “Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?”

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten,
een licht op mijn pad” (Psalm 119)

Download PDF: Dagelijks Brood 19 – 24 maart 2018

Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl
(bron)

share