Dagelijks Brood 18 – 23 juni 2018

Dagelijks Brood 18 - 23 juni 2018

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van maandag t/m zaterdag 18 t/m 23 juni 2018 (week 11, tijd door het jaar)

U kunt hier deze week downloaden in PDF

Maandag 18 juni

Eerste lezing (1 Kon. 21, 1-16)
Nabot, de Jizreëliet, bezat een wijngaard, gelegen te Jizreël, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria. Op een dag richtte Achab tot Nabot het verzoek: “Sta mij uw wijngaard af; dan maak ik er een moestuin van, want hij ligt vlak naast mijn paleis. Ik zal u er een betere wijngaard voor in de plaats geven, of als u dat liever hebt, zal ik hem voor geld kopen.” Maar Nabot zei tot Achab: “De Heer beware mij ervoor, dat ik het erfdeel van mijn vaderen aan u zou afstaan.” Toen ging Achab naar huis, somber gestemd en toornig vanwege het antwoord dat Nabot de Jizreëliet hem gegeven had: Ik sta u het erfdeel van mijn vaderen niet af. Hij ging op bed liggen, wendde zijn gezicht af en wilde niets eten. Daarop kwam zijn vrouw Izebel bij hem en vroeg: “Waarom ben je toch zo somber gestemd en wil je niets eten?” Achab antwoordde: “Ik heb Nabot, de Jizreëliet, verzocht mij zijn wijngaard te verkopen, of als hij dat liever had, tegen een andere te ruilen. Maar hij heeft mij geantwoord: “Ik sta u mijn wijngaard niet af.” Toen zei zijn vrouw Izebel tot hem: “Ben jij nu de man, die in Israël de koningsmacht uitoefent? Sta op, eet wat, dan knap je weer op; ik zal zorgen dat je die wijngaard van Nabot, de Jizreëliet, krijgt.” Ze schreef een brief onder de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel en zond hem aan de oudsten en notabelen, die in dezelfde stad woonden als Nabot. In die brief had ze geschreven: “Kondig een vasten af en zet Nabot bij de vergadering van het volk vooraan. Laat dan een paar gemene kerels tegenover hem plaatsnemen en hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis. Voer hem dan buiten de stad en stenig hem dood.” De medeburgers van Nabot, de oudsten en de notabelen, die in dezelfde stad woonden als hij, deden alles wat Izebel hun had opgedragen en wat geschreven stond in de brief, die ze hun had gestuurd. Ze kondigden een vasten af en lieten Nabot bij de volksvergadering vooraan plaatsnemen. Toen kwamen er twee gemene kerels, die tegenover Nabot gingen zitten en ten aanhoren van al het volk verklaarden: “Nabot heeft God en de koning vervloekt.” Ze voerden Nabot buiten de stad en stenigden hem dood. Toen berichtten ze Izebel: “Nabot is gestenigd: hij is dood.” Zodra Izebel vernam dat Nabot doodgestenigd was, zei ze tot Achab: “Sta op, neem bezit van de wijngaard van Nabot de Jizreëliet, die hij je niet wilde verkopen, want Nabot is niet meer in leven; hij is dood.” Zodra Achab hoorde dat Nabot dood was, begaf hij zich op weg om de wijngaard van Nabot de Jizreëliet in bezit te nemen.

Tussenzang (Ps. 5)
Refrein: Sla acht, Heer, op mijn smartelijk zuchten.
Heer, luister naar wat ik U zeggen wil, sla acht op mijn smartelijk zuchten. Aanhoor de stem die uw aandacht vraagt, want Gij zijt mijn God en mijn koning.
Reeds vroeg in de morgen hoort Gij mijn stem, reeds vroeg mijn hoop en verlangen. Gij zijt toch geen God, die onrecht verdraagt, bij U kan geen booswicht vertoeven.
Geen zondaar kan U in de ogen zien, Gij haat hen die onrecht bedrijven. Die leugentaal spreken vernietigt Gij, Gij gruwt van bloeddorst en wreedheid.

Vers voor het evangelie (Ps. 95/94, 8ab)
Alleluia. Luistert heden naar de stem van de Heer en weest niet halsstarrig. Alleluia.

Evangelie (Mt. 5, 38-42)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog, tand om tand. Maar Ik zeg u geen weerstand te bieden aan het onrecht, doch als iemand u op de rechterwang slaat keert hem dan ook de andere toe. En als iemand u voor het gerecht wil dagen, en uw onderkleed afnemen, laat hem dan ook het bovenkleed. En als iemand u vordert één mijl met hem te gaan, gaat er twee met hem. Geeft aan wie u vraagt en wendt u niet af als iemand van u lenen wil.”

Dinsdag 19 juni – H. Romualdus, abt

Eerste lezing (1 Kon. 21, 17-28)
Na de dood van Nabot kwam het woord van de Heer tot Elia de Tisbiet: “Ga naar Achab, de koning van Israël, die in Samaria woont; hij is naar de wijngaard van Nabot gegaan om hem in bezit te nemen. Zeg hem: Zo spreekt de Heer: Komt gij na een moord het erfgoed in bezit nemen? “Zeg hem dan: Zo spreekt de Heer: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot hebben opgelikt zullen ze ook het uwe oplikken.” Toen zei Achab tot Elia: “Heeft mijn vijand mij weer weten te vinden?” Elia antwoordde: “Ja, dat heb ik, omdat ge u hebt laten gebruiken voor dat wat de Heer mishaagt. Daarom – zo spreekt de Heer – ga Ik onheil over u brengen en vaag u weg. Al wat man is in het huis van Achab zal Ik van hoog tot laag uit Israël verdelgen. Ik zal met uw huis hetzelfde doen als Ik gedaan heb met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en met dat van Baësa, de zoon van Achia, omdat gij Mij getergd hebt en de Israëlieten tot zonden verleid. En over Izebel zegt de Heer: “De honden zullen Izebel verslinden bij de stadsmuur van Jizreël. Wie van het huis van Achab in de stad sterft zal door de honden verslonden worden, en wie op het open veld sterft wordt verslonden door de vogels van de hemel.” Nog nooit heeft iemand zich zo laten gebruiken om te doen wat de Heer mishaagt als Achab, daartoe verleid door zijn vrouw Izebel. Hij heeft zich schandelijk gedragen door de afgoden te dienen, juist zoals de Amorieten dat gedaan hadden, die de Heer voor de Israëlieten verjaagd heeft. Toen Achab deze woorden hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een boetekleed aan over zijn blote lijf en vastte; hij liep terneergeslagen rond en legde zich in zijn boetekleed te ruste. Daarom kwam het woord van de Heer tot Elia de Tisbiet: “Hebt gij gezien hoe Achab zich voor Mij vernederd heeft? Omdat hij zich voor Mij vernederd heeft, zal Ik het onheil op zijn huis niet tijdens zijn leven doen neerkomen, maar wel tijdens het leven van zijn zoon.”

Tussenzang (Ps. 51/50)
Refrein: God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid.
God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.
Ik erken dat ik misdreven heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen. Jegens U alleen heb ik gezondigd, wat U tegenstaat heb ik gedaan.
Wend uw ogen af van mijn gebreken, scheld mij al mijn schulden kwijt. Houd mij ver van bloedschuld, God mijn redder, dan bezingt mijn tong uw wijs beleid.

Vers voor het evangelie (Ps. 27/26)
Alleluia. Toon mij uw weg, Heer, bij tegenstand, leid mij langs effen paden. Alleluia.

Evangelie (Mt. 5, 43-48)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeder groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is”

Woensdag 20 juni

Eerste lezing (2 Kon. 2, 1.6-14)
Kort voordat de Heer Elia in een stormwind ten hemel zou opnemen, vertrok deze met Elisa uit Gilgal. Elia sprak tot Elisa: “Blijf hier, want de Heer zendt mij naar de Jordaan.” Elisa antwoordde: “Zowaar de Heer leeft en zowaar gij leeft: ik verlaat u niet.” Toen gingen zij samen verder. Vijftig leden van de profetengilde volgden hen, maar bleven op enige afstand staan, toen Elia en Elisa aan de Jordaan samen stilhielden. Nu nam Elia zijn mantel, rolde hem op en sloeg ermee op het water. Het water verdeelde zich naar links en rechts en beiden liepen door de droge bedding naar de overkant. Daar aangekomen zei Elia tot Elisa: “Doe een laatste verzoek, voordat ik van u word weggenomen.” Elisa antwoordde: “Geef mij een dubbel deel van uw geest.” Elia antwoordde: “Gij vraagt iets moeilijks, maar als ge mij zult zien, wanneer ik word opgenomen, zal uw bede verhoord worden; ziet ge mij niet, dan wordt uw bede niet verhoord.” Terwijl zij nu pratend verder gingen, kwam er opeens een wagen van vuur met paarden van vuur, die hen van elkaar scheidde, en in een stormwind werd Elia ten hemel opgenomen. Elisa zag het en riep uit: “Vader, vader, Israëls strijdwagens en zijn ruiterij!” Toen hij hem niet meer zag, greep hij zijn kleren en scheurde ze doormidden. Daarna raapte hij de mantel op, die Elia had laten vallen, keerde terug en bleef staan aan de oever van de Jordaan; hij nam de mantel van Elia, sloeg ermee op het water en riep uit: “Waar is de Heer dan toch, de God van Elia?” Weer sloeg Elisa op het water, en nu verdeelde het zich naar links en naar rechts, zodat hij kon oversteken.

Tussenzang (Ps. 31/30)
Refrein: Schept moed en weest onverschrokken, gij allen die hoopt op de Heer.
Hoe groot zijn uw weldaden, Heer, die Gij hebt bestemd voor hen, die U vrezen. Gij schenkt ze aan ieder die tot U komt, voor alle mensen waarneembaar.
De glans van uw Aanschijn beschermt hem altijd als mensen zich tegen hem keren. Gij neemt hem op in uw tent, beschut tegen kwade tongen.
Bemint dan de Heer, al zijn vromen, de Heer behoedt alwie trouw blijft aan Hem. Maar wie zich in hoogmoed tegen Hem keert betaalt Hij met woeker terug.

Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 27)
Alleluia. Leid mij op de weg van uw bevelen, Heer, dan zal ik uw daden indachtig zijn. Alleluia.

Evangelie (Mt. 6, 1-6.16-18)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen, om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader, die in de hemel is. Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuint het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Als gij een aalmoes geeft; laat uw linkerhand dan niet weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene blijve; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen! Maar als gij bidt, gaat dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u, en bidt tot uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht, zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen, dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht om niet aan de mensen te laten zien, dat gij vast, maar vast voor uw Vader, die in het verborgene is en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Donderdag 21 juni – H. Aloïsius Gonzaga, kloosterling

Eerste lezing (Sir. 48, 1-14)
Elia, de profeet, stond op als een vuur; zijn woord brandde als een fakkel; hij bracht hongersnood over het volk en in zijn ijveren voor de Heer maakte hij het weinig in aantal. Door het woord van de Heer sloot hij de hemel toe, en evenzo liet hij driemaal vuur neerdalen. Hoe roemrijk werd gij, Elia, door uw wonderwerken: wie mag zich als gij beroemen? Gij, die een gestorvene uit de dood hebt opgewekt, uit het dodenrijk, door het woord van de Allerhoogste; die koningen in het verderf hebt gevoerd, en aanzienlijken van hun legerstede in de dood; die op de Sinaï een terechtwijzing hoorde en op de Horeb oordelen der wraak; die koningen zalfde om vergelding te voltrekken en profeten als uw opvolgers; die werd opgenomen in een wervelstorm van vuur op een wagen met vurige paarden; van wie geschreven staat, dat hij bestemd is voor de tijd waarop hij de toorn Gods zal stillen vóórdat hij ontbrandt, het hart van de vaderen zal keren tot de zoon en de stammen van Jakob zal oprichten. Gelukkig zij die u gezien hebben en in liefde zijn ontslapen. Want ook wij zullen zeker leven. Dit was Elia, die in een wervelstorm aan het oog werd onttrokken. Maar Elisa werd vervuld met zijn geest; in zijn dagen heeft hij voor geen heerser gesidderd en niemand ter wereld heeft hem overweldigd. Niets ging zijn krachten te boven en nog in de doodsslaap profeteerde zijn lichaam; bij zijn leven deed hij wonderen en bij zijn dood waren zijn werken wonderbaar.

Tussenzang (Ps. 97/96))
Refrein: Weest blij in de Heer, gij vromen.
De Heer is koning, de aarde mag juichen, blij zijn de landen rondom de zee. Donkere wolken vormen zijn lijfwacht, recht en gerechtigheid dragen zijn troon.
Laaiende vlammen draven vooruit, verslinden rondom zijn bestrijders. Bliksemschichten verlichten zijn pad, de aarde ziet toe met ontzetting.
Bergen smelten als was voor de Heer, de heerser van heel de wereld. De hemel verkondigt zijn heiligheid en alle volken aanschouwen zijn glorie.
Die beelden aanbidden worden beschaamd, zij die op hun afgoden groot gaan. Voor Hem werpen alle goden zich neer.

Vers voor het evangelie (Ps. 111/110, 8ab)
Alleluia. Het werk van de Heer is goed en betrouwbaar, al wat Hij besluit staat onwrikbaar vast. Alleluia.

Evangelie (Mt. 6, 7-15)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want deze menen, dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, uw Naam worde geheiligd; uw Rijk kome, uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.”

Vrijdag 22 juni – H. Paulinus van Nola, bisschop; HH. John Fisher, bisschop en Thomas Moore, martelaar

Eerste lezing (2 Kon. 11, 1-4.9-18.20)
Toen Atalja, de moeder van koning Achazja, bemerkte dat haar zoon dood was, bracht zij alle afstammelingen van de koning om het leven. Maar Joas, een zoon van koning Achazja, werd door Joseba, de dochter van koning Joram en zuster van Achazja, heimelijk tussen de koningszonen, die zouden gedood worden, uitgehaald. Zij hield hem met zijn voedster op de slaapzaal voor Atalja verborgen; zo bleef hij gespaard. Hij bleef zes jaar lang bij haar verborgen in de tempel van de Heer, terwijl Atalja over het land regeerde. In het zevende jaar ontbood de priester Jojada de honderdmannen van de Kariërs en van de lijfwacht. Hij liet ze bij zich komen in de tempel van de Heer, sloot met hen een verbond en liet hen een eed afleggen in de tempel van de Heer. Toen toonde hij hun de zoon van de koning. De honderdmannen voerden de bevelen van de priester Jojada nauwkeurig uit. Ieder nam zijn mannen mee, zowel degenen die op sabbat moesten aantreden als degenen die op sabbat moesten inrukken, en meldde zich bij de priester Jojada. Deze gaf aan de honderdmannen de lansen en schilden van koning David, die in de tempel van de Heer bewaard werden. De lijfwacht stelde zich man aan man op met de wapens in de hand, van de rechtervleugel van het gebouw tot aan de linkervleugel, naar het altaar en het gebouw gekeerd, aldus een kring vormend. Jojada leidde daarop Joas, de zoon van de koning, naar buiten, zette hem de diadeem op, reikte hem de oorkonde over, verhief hem tot koning en zalfde hem. De soldaten klapten in de handen en riepen: “Leve de koning.” Toen Atalja het gejuich hoorde van de lijfwacht en het volk in de tempel van de Heer, begaf zij zich daarheen. En daar zag zij de koning volgens gebruik op de verhoging staan, omringd door de bevelhebbers en de trompetters en door al het volk van het land dat juichte en op de trompet blies. Toen scheurde Atalja haar kleren en riep: “Verraad! Verraad!” Daarop gaf de priester Jojada aan de honderdmannen, de commandanten van het leger, het bevel: “Leidt haar buiten het kordon. Doodt met het zwaard al wie haar volgt. Want de priester had gezegd, dat zij niet gedood mocht worden in de tempel van de Heer. Zij namen haar gevangen en toen zij door de Paardenpoort het koninklijk paleis bereikt hadden, werd zij daar gedood. Nu bracht Jojada een verbond tot stand tussen de Heer, de koning en het volk, waardoor het weer het volk van de Heer zou worden, alsmede tussen de koning en het volk. Daarna trok het volk van het land naar de tempel van Baal; zij sloegen zijn altaren stuk, verbrijzelden de beelden en doodden de Baälpriester Mattan voor de altaren. Maar de priester Jojada plaatste wachtposten voor de tempel van de Heer. Het volk van het land verheugde zich en de stad hield zich rustig. Atalja had men in het koninklijk paleis met het zwaard gedood.

Tussenzang (Ps. 132/131)
Refrein: God heeft de Sion gekozen, haar als zijn zetel gewild.
De Heer heeft David gezworen een eed die Hij nimmer breekt: een telg uit uw geslacht zal Ik op uw troon verheffen.
Houden uw zonen zich aan mijn verbond, aan alles wat Ik hen opleg, dan zullen hun zonen ook voor altijd zetelen op uw troon.
Want God heeft de Sion gekozen, haar als zijn zetel gewild: hier is mijn rustplaats voor eeuwig, hier zal Ik wonen, dit is mijn keus.
Daar zal voor David een hoorn ontspruiten, voor mijn gezalfde schijnt daar een licht; zijn vijanden zal Ik beschaamd doen staan, maar hij draagt mijn gloriekroon.

Vers voor het evangelie (Ps. 25/25, 4c.5a)
Alleluia. Leer mij uw paden kennen, Heer; leid mij volgens uw woord. Alleluia.

Evangelie (Mt. 6, 19-23)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Verzamelt u geen schatten op aarde, waar ze door mot en worm vergaan en waar dieven inbreken om te stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken om te stelen. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. De lamp van het lichaam is het oog. Wanneer dus uw oog helder is zal heel uw lichaam verlicht zijn. Is echter uw oog slecht, dan is heel uw lichaam duister. Indien dus zelfs uw innerlijk licht duister is, hoe erg zal dan de duisternis zijn!”

Zaterdag 23 juni

Eerste lezing (2 Kron. 24, 17-25)
Na de dood van de priester Jojada kwamen de aanzienlijken van Juda en betuigden koning Joas hun hulde. En de koning luisterde naar hen. In die dagen verwaarloosde het volk de tempel van de Heer, de God van zijn vaderen, en het vereerde heilige palen en afgodsbeelden. Om deze zonde kwam een hevige toorn over Juda en Jeruzalem. De Heer stuurde profeten op hen af om hen tot inkeer te brengen; dezen waarschuwden hen, maar zij wilden niet luisteren. Toen kwam de geest van God over Zekarja, de zoon van Jojada, de priester. Hij ging voor het volk staan en sprak tot hen: “Zo spreekt God: Waarom overtreedt gij de geboden van de Heer zonder enig voordeel daarbij te vinden? Omdat gij de Heer in de steek gelaten hebt, heeft Hij u in de steek gelaten!” Maar het volk spande samen tegen Zekarja en op bevel van de koning stenigden zij hem in de voorhof van de tempel van de Heer. Zo weinig dacht koning Joas nog aan alle weldaden, die Jojada hem bewezen had, dat hij diens zoon, Zekarja, liet vermoorden. Stervend riep deze nog: “De Heer moge het zien en het wreken!” Bij de jaarwisseling rukte het leger der Arameeën tegen Joas uit; ze trokken Juda en Jeruzalem binnen, brachten alle aanzienlijken van het volk om het leven, en stuurden alles wat zij buit gemaakt hadden naar de koning van Damascus. Want ofschoon het leger der Arameeën slechts uit weinigen bestond, liet de Heer hun zeer veel buit in handen vallen, omdat zij de Heer, de God van hun vaderen, in de steek gelaten hadden. Ook aan Joas voltrokken zij het strafgericht. Want toen ze hem met hevige pijnen hadden achtergelaten, zwoeren zijn hovelingen tegen hem samen om het bloed van Jojada’s zoon te wreken. Zij vermoordden hem in zijn bed. Hij werd begraven in de Davidstad, maar niet in de graven der koningen.

Tussenzang (Ps. 89/88)
Refrein: Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade.
Ik heb met David een verbond gesloten, mijn uitverkoren dienaar met een eed beloofd: Ik zal uw nageslacht in stand houden voor eeuwig, in alle tijden blijft uw troon bestaan.
Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade, voor immer blijft mijn bond met hem van kracht. Ik zal aan zijn geslacht geen einde maken,
noch aan zijn troon, zolang de hemel dagen heeft.
Indien zijn zonen ontrouw worden aan mijn wet en niet meer leven volgens mijn geboden; indien zij mijn verordeningen schenden, aan mijn bevelen niet voldoen;
dan zal Ik hun vergrijpen met de roede straffen, met slagen hen doen boeten voor hun schuld. Maar hem zal Ik mijn gunsten niet ontnemen, aan wat Ik beloofd heb blijf Ik trouw.

Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 18)
Alleluia. Ontsluit mijn ogen om te aanschouwen, Heer, de heerlijkheid van uw wet. Alleluia.

Evangelie (Mt. 6, 24-34)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen èn de mammon. Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten of wat ge zult drinken, en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. Is het leven niet méér dan het voedsel en het lichaam niet méér dan de kleding? Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij dan niet veel méér dan zij? Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg één el toe te voegen? En wat maakt gij u zorgen over kleding? Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen. Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen. Als God nu het veldgewas, dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen zó kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen? Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken of wat zullen wij aantrekken? Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden. Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.”

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”
(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl

share