Dagelijks Brood 16 – 21 april 2018

dagelijks-brood-olv-ter-nood

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van de derde week in de Paastijd maandag t/m zaterdag 16 – 21 april 2018

U kunt hier deze week downloaden in PDF

Maandag 16 april H. Bernadette Soubirous

eerste lezing (Hand. 6, 8-15)
In die dagen deed Stefanus, vol genade en kracht, grote wondertekenen onder het volk. Sommige leden echter van de zogenaamde synagoge der Vrijgelatenen, Cyreneeërs en Alexandrijnen en sommige mensen uit Cilicië en Asia begonnen met Stefanus te redetwisten, maar zij konden niet op tegen de wijsheid en tegen de geest waarmee hij sprak. Toen stookten zij heimelijk mannen op om te verklaren: “Wij hebben hem lastertaal horen spreken tegen Mozes en tegen God.” Tegelijkertijd ruiden zij zowel het volk als de oudsten en schriftgeleerden op. Onverhoeds maakten zij zich van hem meester en brachten hem voor het Sanhedrin, waar men valse getuigen liet optreden die beweerden: “Die man houdt niet op te spreken tegen de heilige plaats en tegen de Wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat die Nazoreeër Jezus deze plaats zal afbreken, en de voorschriften zal veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.” Alle leden van het Sanhedrin vestigden hun blik op hem en zagen dat zijn gelaat leek op dat van een engel.

tussenzang (Ps. 119/118)
Gelukkig degenen wier levensweg rein is.
Al spannen ook vorsten tegen mij samen, uw dienaar geeft acht op wat Gij beschikt. Ik neem uw verordeningen ter harte, zij geven mij goede raad.
Mijn wegen kent Gij, Ge hoort mijn gebeden; leer mij wat Gij hebt beschikt. Leid mij op de weg van uw bevelen, dan zal ik uw daden indachtig zijn.
Gedoog niet dat ik een dwaalweg insla, maar geef mij uw wet als gids. Ik heb de weg van de trouw gekozen, ik houd mij aan wat Gij bepaalt.

vers voor het evangelie
Alleluia. Wij weten dat Christus waarlijk is opgestaan uit de doden. Ontferm U over ons, Gij koning en overwinnaar. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 22-29)
Het volk dat aan de ene kant van het meer was gebleven na de wonderbare broodvermenigvuldiging, had gezien dat daar maar één bootje gelegen had, dat Jezus niet met zijn leerlingen was scheep gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken. De volgende dag echter kwamen er bootjes uit Tiberias dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten na het dankgebed van de Heer. Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren, gingen zij in de boten en voeren in de richting van Kafarnaüm op zoek naar Jezus. Zij vonden Hem aan de overkant van het meer en zeiden: “Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?” Jezus nam het woord en zeide: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet omdat gij tekenen gezien hebt zoekt ge Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild. Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven. Op Hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegel gedrukt.” Daarop zeiden zij tot Hem: “Welke werken moeten wij voor God verrichten?” Jezus gaf hun ten antwoord: “Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft.”

Dinsdag 17 april H. Landricus

eerste lezing (Hand. 7, 51-8, 1a)
In die dagen sprak Stefanus tot het volk, tot de oudsten en de schriftgeleerden: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oor, nog altijd weerstreeft gij de heilige Geest juist zoals uw vaderen deden. Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd? Gedood hebben ze hen, die de komst aankondigden van de Rechtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij nu geworden zijt, gij nog wel, die de Wet hebt ontvangen door bemiddeling van de engelen; maar ge hebt ze niet onderhouden!” Toen ze dit hoorden werden ze woedend en ze knarsetandden tegen hem. Maar Stefanus, vervuld van de heilige Geest, staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus, staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af. Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Saulus heette. Terwijl zij Stefanus stenigden bad hij: “Heer Jezus ontvang mijn geest.” Toen viel hij op zijn knieën en riep met luide stem: “Heer, reken hun deze zonde niet aan.” Na deze woorden ontsliep hij. Saulus stemde in met de moord op deze man.

tussenzang (Ps. 31/30)
Vertrouwvol leg ik mijn geest in uw handen, Heer.
Wees mij een rots waar ik vluchten kan, een sterke burcht waar ik veilig kan toeven. Want altijd zijt Gij mijn rots en mijn vesting, uw Naam is mijn leider en gids.
Vertrouwvol leg ik mijn geest in uw handen, Gij zult mij beschermen, getrouwe God. Ik stel op U mijn vertrouwen, Heer, ik mag mij verheugen in uw erbarmen.
Laat over uw dienaar uw Aanschijn stralen, red mij door uw genade. De glans van uw Aanschijn beschermt mij altijd als mensen zich tegen mij keren. Gij neemt mij op in uw tent, beschut tegen kwade tongen.

vers voor het evangelie (Lc. 24, 46)
Alleluia. Christus moest lijden en sterven en opstaan uit de doden, en aldus binnengaan in zijn heerlijkheid. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 30-35)
In die dagen zei de menigte tot Jezus: “Wat voor teken doet Gij dan wel waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven? Wat doet Gij eigenlijk? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten.” Jezus hernam: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.” Zij zeiden tot Hem: “Heer, geef ons te allen tijde dat brood.” Jezus sprak tot hen: “Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.”

Woensdag 18 april

eerste lezing (Hand. 8, 1-8)
Na de dood van Stefanus brak een hevige vervolging los tegen de kerk van Jeruzalem. Allen verspreidden zich over het platteland van Judea en Samaria, uitgezonderd de apostelen. Vrome mannen begroeven Stefanus en hielden een grote rouwklacht over hem. Saulus echter woedde tegen de kerk, waarbij hij het ene huis na het andere binnendrong, mannen en vrouwen wegsleepte en overleverde om gevangen gezet te worden. Zij nu, die zich verspreid hadden, trokken rond en verkondigden het woord van de Blijde Boodschap. Zo kwam Filippus in de stad van Samaria en predikte daar de Messias. Filippus’ woorden oogstten algemene instemming, toen de mensen hoorden wat hij zei en toen zij de tekenen zagen, die hij verrichtte. Uit vele bezetenen gingen de onreine geesten onder luid geschreeuw weg en vele lammen en kreupelen werden genezen. Daarover ontstond grote vreugde in die stad.

tussenzang (Ps. 66/65)
Jubelt voor God, alle landen der aarde, bezingt de heerlijkheid van zijn Naam.
Jubelt voor God, alle landen der aarde, bezingt de heerlijkheid van zijn Naam. Brengt Hem uw hulde en zegt tot uw God: verbijsterend zijn al uw daden.
Heel de aarde moet U aanbidden, bezingen uw heilige Naam. Komt en aanschouwt wat God heeft verricht, ontstellende daden onder de mensen.
Hij maakte de zee tot een droge vallei, zij gingen te voet door de bedding. Laten wij juichen van vreugde om Hem, die eeuwig regeert door zijn macht.

vers voor het evangelie (Joh. 10, 14)
Alleluia. Ik ben de goede herder, zegt de Heer. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 35-40)
In die tijd zei Jezus tot de menigte: “Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen. Maar Ik zei u reeds dat gij toch niet gelooft, hoewel gij Mij hebt gezien. Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt zal Ik niet buitenwerpen. Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft; en dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan maar het doe opstaan op de laatste dag. Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die, wanneer hij de Zoon ziet en in Deze gelooft, eeuwig leven bezit; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”

Donderdag 19 april

eerste lezing (Hand. 8, 26-40)
In die dagen sprak een engel van de Heer tot Filippus: “Begeef u op reis naar het zuiden en ga de weg op die van Jeruzalem naar Gaza loopt: deze is eenzaam.” Hij begaf zich op reis. Terzelfder tijd bevond een Ethiopiër zich op de terugweg van een pelgrimstocht naar Jeruzalem; hij was een eunuch, een hoveling van Kándake, de koningin van de Ethiopiërs, en haar opperschatmeester. Gezeten in zijn reiskoets was hij de profeet Jesaja aan het lezen. De Geest sprak tot Filippus: “Ga naar die reiskoets en blijf in de nabijheid.” Toen Filippus er naar toe gegaan was, hoorde hij hem de profeet Jesaja lezen. Hij vroeg hem: “Begrijpt ge wat ge leest?” Maar de Ethiopiër antwoordde: “Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is?” Hij nodigde Filippus uit in te stappen en bij hem te komen zitten. De schriftuurplaats, die hij juist, las was de volgende: Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid; en evenals een lam, stom tegen zijn scheerder, opende Hij zijn mond niet. Door zijn vernedering is zijn vonnis voltrokken. Wie zal zijn geslacht kunnen beschrijven? Want zijn leven wordt weggenomen van de aarde. Nu richtte de eunuch het woord tot Filippus: “Mag ik u vragen van wie de profeet dit zegt? Van zichzelf of van iemand anders?” Filippus begon te spreken en uitgaande van deze tekst verkondigde hij hem Jezus. Al voortreizende kwamen ze bij een water en de hoveling zei: “Hier is water. Wat is er op tegen dat ik gedoopt word?” Filippus echter zeide: “Als ge van ganser harte gelooft mag het.” Hij gaf ten antwoord: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.” Hij liet de koets stil houden en beiden, Filippus en de eunuch daalden af in het water en hij doopte hem. Toen zij uit het water gekomen waren, rukte de Geest des Heren Filippus weg; de eunuch zag hem niet meer, en zette vol blijdschap zijn reis voort. Filippus echter werd aangetroffen in Azótus. Daar trok hij rond en predikte de Blijde Boodschap in alle steden totdat hij in Caesarea kwam.

tussenzang (Ps. 66/65)
Jubelt voor God, alle landen der aarde, bezingt de heerlijkheid van zijn Naam.
Prijst, alle volken, nu onze God, verkondigt de faam van zijn daden. Hij heeft ons leven steeds weer gered, en liet niet toe dat wij vielen.
Komt dan, godvrezenden, luistert naar mij, ik zal u verhalen wat Hij mij gedaan heeft. Hem heeft mijn mond steeds om hulp gevraagd,
mijn tong heeft Hem altijd geprezen. God zij geprezen, Hij wees mij niet af, onthield mij niet zijn erbarmen.

vers voor het evangelie (Apok. 1, 5ab)
Alleluia. Jezus Christus, getrouwe getuige, eerstgeborene van de doden; Gij hebt ons liefgehad en van de zonden verlost in uw bloed. Alleluia.

evangelie (Joh.6, 44-51)
In die dagen zei Jezus tot de menigte: “Niemand kan tot Mij komen als de Vader die Mij zond hem niet trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Er staat geschreven bij de profeten: En allen zullen door God onderricht worden. Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft komt tot Mij. Niet dat iemand de Vader gezien heeft: alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie gelooft heeft eeuwig leven. Ik ben het brood des levens. Uw vaderen die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn niettemin gestorven; maar dit brood daalt uit de hemel neer, opdat wie ervan eet niet sterft. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.”

Vrijdag 20 april

eerste lezing (Hand. 9, 1-20)
In die dagen ging Saulus, die in ziedende woede de leerlingen van de Heer met de dood bedreigde, naar de hogepriester aan wie hij brieven vroeg voor de synagogen in Damascus, om alle aanhangers van de nieuwe leer, die hij daar zou vinden, mannen zowel als vrouwen, gevangen naar Jeruzalem te mogen voeren. Toen hij op zijn tocht Damascus naderde, omstraalde hem plotseling een licht uit de hemel. Hij viel ter aarde en hoorde een stem die hem zei: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?” Hij sprak: “Wie zijt gij Heer?” Hij antwoordde: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad in; daar zal iemand u zeggen wat ge doen moet.” Zijn reisgezellen stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. Saulus stond van de grond op, maar hoewel zijn ogen open waren zag hij niets. Zij namen hem dus bij de hand en brachten hem Damascus binnen. Drie dagen lang kon hij niet zien en at en dronk hij niet. Nu woonde er in Damascus een leerling, die Ananías heette en tot hem sprak de Heer in een visioen: “Ananías.” Hij antwoordde: “Hier ben ik, Heer.” De Heer vervolgde: “Begeef u naar de Rechte Straat en vraag in het huis van Judas naar Saulus van Tarsus; hij is juist in gebed.” Deze zag reeds in een visioen een man, Ananías, binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij weer zou zien. Maar Ananías wierp tegen: “Heer, ik heb van velen gehoord hoeveel kwaad die man uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Ook hier heeft hij van de hogepriesters volmacht om allen die uw Naam aanroepen in boeien te slaan.” De Heer beval hem: “Ga, want die man is mijn uitverkoren werktuig om mijn Naam uit te dragen onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israël. Ik zal hem laten zien hoeveel hij om mijn Naam moet lijden.” Toen begaf Ananías zich naar het huis, trad binnen en legde Saulus de handen op met de woorden: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u op de weg hierheen verschenen is, opdat ge weer zien moogt en vervuld moogt worden van de heilige Geest.” Op hetzelfde ogenblik vielen hem als het ware de schellen van de ogen. Hij zag weer en terstond liet hij zich dopen. Hij nam voedsel tot zich en kwam weer op krachten. Enige tijd bleef hij bij de leerlingen in Damascus. Terstond begon hij in de synagoge Jezus te prediken en zei: “Deze is de Zoon Gods.”

tussenzang (Ps. 117 (116)
Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het Evangelie.
Looft nu de Heer, alle naties der aarde, huldigt de Heer, alle volken rondom; omdat Hij bij ons zijn goedheid getoond heeft; de trouw van de Heer houdt in eeuwigheid stand.

vers voor het evangelie (Joh. 10, 27)
Alleluia. Mijn schapen luisteren naar mijn stem, zegt de Heer, en Ik ken ze en ze volgen Mij. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 52-59)
In die dagen geraakten de Joden met elkaar in twist en zeiden: “Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?” Jezus sprak daarop tot hen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals Ik door de Vader die leeft gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.” Dit zei Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm.

Zaterdag 21 april

eerste lezing (Hand. 9, 31-42)
In die dagen genoot de kerk in heel Judea, Galilea en Samaria vrede; zij werd steeds meer bevestigd in de van de heilige Geest. Eens kwam Petrus op een grote rondreis ook bij de leerlingen die in Lydda woonden, en trof daar een zekere Enéas aan, die reeds acht jaar wegens verlamming het bed moest houden. Petrus sprak tot hem: “Enéas, Jezus Christus geneest u, sta op en maak zelf uw bed in orde.” Onmiddellijk stond hij op. Alle inwoners van Lydda en van de Saronvlakte zagen hem en bekeerden zich tot de Heer. Er leefde destijds in Joppe een leerlinge met name Tabita, wat in vertaling Dorkas, Gazelle betekent. Zij was onuitputtelijk in het doen van goede werken en in het geven van aalmoezen. Juist in die dagen was zij echter na een ziekte gestorven. Men waste haar en legde haar in een bovenvertrek. Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar verbleef, twee mannen naar hem toe met het verzoek: “Kom zonder uitstel naar ons toe.” Petrus ging aanstonds met hen mee. Bij zijn aankomst brachten ze hem in het bovenvertrek, waar alle weduwen wenend hem omringden en al de kleren en mantels lieten zien, die Dorkas gemaakt had, toen ze nog in hun midden was. Petrus deed allen naar buiten gaan, knielde neer en bad. Toen sprak hij, zich kerend naar het lijk: “Tabita, sta op.” Zij opende de ogen, zag Petrus en ging overeind zitten. Hij reikte haar de hand en hielp haar opstaan. Vervolgens riep hij de heiligen en de weduwen en gaf haar levend aan hen terug. Dit werd bekend in heel Joppe zodat velen het geloof in de Heer aannamen.

tussenzang (Ps. 116/115)
Refrein: Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf?
Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf? Ik hef de offerbeker, de Naam van de Heer roep ik aan.
Ik zal mijn geloften volbrengen waar heel zijn volk het ziet. Want kostbaar is in zijn ogen het leven van wie Hem vereert.
O Heer, ik ben uw dienaar, uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, Gij hebt mijn boeien geslaakt. Met offers zal ik U loven, de Naam van de Heer roep ik aan.

vers voor het evangelie (Joh. 20, 29)
Alleluia. Omdat ge Mij gezien hebt, Thomas, gelooft ge; zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben. Alleluia.

evangelie (Joh. 6, 60-69)
In die dagen zeiden velen van de leerlingen van Jezus: “Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?” Maar Jezus, die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hun: “Neemt gij daar aanstoot aan? Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was? Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb zijn geest en leven. Maar er zijn er onder u, die geen geloof hebben.” Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren, die niet geloofden en wie Hem zou overleveren. Hij voegde er aan toe: “Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen als het hem niet door de Vader gegeven is.” Tengevolge hiervan trokken
velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf vroeg: “Wilt ook gij soms weggaan?” Simon Petrus antwoordde Hem: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten,
een licht op mijn pad” (Psalm 119)

Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl
(bron)

share