Dagelijks Brood 13 t/m 18 augustus 2018

maria-tenhemelopneming-olv-ter-nood-heiloo

Dagelijks Brood is een klein boekje met de lezingen van de dagen door de week. Zodat u, ook wanneer u op doordeweekse dagen naar de H. Mis gaat, de lezingen, het Woord van God, goed kunt volgen. De titel is ontleend aan een Italiaanse uitgave (Pane Quotidiano) van de gemeenschap Paus Johannes XXIII, gesticht door de dienaar Gods Don Oreste Benzi.

Dat het Woord van God u extra mag raken en voeden op deze wijze!

Lezingen van maandag 13 t/m zaterdag 18 augustus 2018, 19e week door het jaar

U kunt hier deze week downloaden in PDF.

Maandag 13 augustus – HH. Pontianus, paus en martelaar en Hippolytus, priester en martelaar

Eerste lezing (Ez. 1, 2-5.24-28)
Op de vijfde dag van de maand, in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojakin, werd het woord van de Heer gericht tot de priester Ezechiël, de zoon van Bazi; deze bevond zich in het land van de Chaldeeën, bij de rivier, de Kebar: daar raakte de hand van de Heer hem aan. Ik keek op en ik zag een stormwind, die uit het noorden kwam aanzetten, een zware wolk met flitsend vuur, door stralengloed omgeven. En binnenin, midden in het vuur, was iets dat er uitzag als fonkelend metaal. En in het midden daarvan was iets dat op vier levende wezens leek. En hun aanblik was zo, dat zij de gestalte van een mens hadden. Ik hoorde het gedruis van hun vleugels; het klonk als het gedruis van geweldige wateren, als de stem van de Almachtige. Wanneer zij zich voortbewogen, was er een dreunend geluid, net het rumoer van een leger. Wanneer zij stilstonden, lieten zij hun vleugels zakken. Dat gebeurde, als er een stem weerklonk boven het gewelf, dat zich boven hun hoofden bevond: dan stonden zij stil en lieten zij hun vleugels zakken. En boven het gewelf, dat zich boven hun hoofden bevond, was iets dat er uitzag als saffier; het had de vorm van een troon. En op datgene wat de vorm van een troon had, daarop gezeten, was een gestalte, die er uitzag als een mens. Ik zag iets dat fonkelde als metaal; van datgene wat zijn heupen leken naar boven toe, zag het er uit als een vuur, door een hulsel omgeven; en naar beneden toe van datgene wat zijn heupen leken, zag ik iets dat op een vuur leek, door een stralengloed omgeven. Het zag er uit als de boog, die op regendagen in de wolken komt staan: zo zag die straléngloed daar omheen er uit. Dat was de aanblik van de verschijning van de heerlijkheid van de Heer. Ik zag haar en wierp mij neer, met mijn aangezicht op de grond.

Tussenzang (Ps. 148)
Refrein: Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid. Of: Alleluia.
Looft de Heer vanuit heel de hemel, looft Hem, al wat hierboven is. Looft Hem, al zijn engelenscharen, looft Hem, heel zijn legermacht.
Vorsten der aarde met al uw volken, heren en rechters in heel het land; jonge mannen en jonge meisjes, grijsaards en kinderen, allen bijeen.
Laat hen nu prijzen de Naam van de Heer, want deze Naam is alleen verheven. Roemrijk is Hij boven aarde en hemel, roemvol maakte Hij ook zijn volk.
Hij is de glorie van al zijn getrouwen, van Israëls volk, zijn eigen bezit.

Vers voor het evangelie (Ps. 119/118, 135)
Alleluia. Laat voor uw dienaar uw Aangezicht stralen, Heer, laat mij uw beschikkingen zien. Alleluia.

Evangelie (Mt. 17, 22-27)
Terwijl zij nog in Galilea bijeen waren sprak Jezus tot zijn leerlingen: “De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen, en ze zullen Hem doden, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.” Zij werden zeer bedroefd. Toen zij in Kafarnaüm waren aangekomen kwamen de inners van de tempelbelasting op Petrus af en zeiden: “Betaalt uw Meester de didrachmen niet?” Hij antwoordde: “Welzeker!” Maar toen Petrus het huis binnenging, voorkwam Jezus hem met de woorden: “Wat dunkt u, Simon? Van wie heffen de aardse vorsten tol of belasting, van hun kinderen of van vreemden?” En toen hij antwoordde: “Van vreemden”, zei Jezus tot hem: “Dus de kinderen zijn vrij. Maar toch, om hun geen aanstoot te geven: ga naar het meer, werp uw haak uit en grijp de eerste vis, die boven komt; maak zijn bek open en gij zult een stater vinden; betaal daarmee voor Mij en voor u.”

Dinsdag 14 augustus – H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en martelaar

Eerste lezing (Ez. 2, 8-3, 4)
Zo spreekt de Heer: “Gij, mensenkind, gij moet luisteren naar wat Ik u zeg; gij moet niet weerspannig zijn, zoals dat weerspannige volk. Doe uw mond open en eet wat ik u geef.” Ik keek en ik zag een hand, die naar mij werd uitgestoken, en in die hand een boekrol. Hij rolde die voor mij uit; zij was aan de voor- en aan de achterkant beschreven. Klachten, treurliederen en weegeroep, dat stond erop geschreven. Toen zei de Heer tot mij: “Mensenkind, wat u wordt voorgehouden, eet dat op. Eet deze boekrol op en ga dan en spreek tot het volk Israël.” Ik deed mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten. En de Heer zei tot mij: “Mensenkind, vul uw buik en verzadig uw binnenste met deze rol, die Ik u geef.” Ik at de rol en zij werd in mijn mond als honing, zo zoet. Toen zei de Heer tot mij: “En nu, mensenkind, nu gaat gij naar het volk Israël en brengt gij hun mijn woorden over!”

Tussenzang (Ps. 119/118)
Refrein: Hoe heerlijk smaken mij uw beloften!
Mijn vreugde vind ik in wat Gij verordent, dat is mijn rijkste bezit. Ik neem uw verordeningen ter harte, zij geven mij goede raad.
De wet uit uw mond is mij meer waard dan schatten van zilver en goud. Hoe heerlijk smaken mij uw beloften, als honing zijn zij in mijn mond.
Mijn erfdeel is altijd wat Gij verordent, dat is de vreugd van mijn hart. Mijn mond sper ik hijgend open, zo snak ik naar uw gebod.

Vers voor het evangelie (Ps. 145/144, 13cd)
Alleluia. Waarachtig is God in al zijn woorden en heilig in al wat Hij doet. Alleluia.

Evangelie (Mt. 18, 1-5.10.12-14)
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag: “Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?” Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: “Voorwaar, Ik zeg u als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind, is de grootste in het Rijk der hemelen. En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt, neemt Mij op. Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u: zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader, die in de hemel is. Wat dunkt u? Wanneer een man honderd schapen heeft en één daarvan verdwaalt, zal hij dan niet de negenennegentig in de bergen alleen laten om op zoek te gaan naar het verdwaalde? En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar, Ik zeg u, dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn dan over de negenennegentig, die niet verdwaald waren. Zo ook wil uw hemelse Vader niet, dat een van deze kleinen verloren gaat.”

Woensdag 15 augustus – Hoogfeest van Maria tenhemelopneming

Eerste lezing (Apok. 11,19a; 12,1-6a.10ab)
Toen ging de tempel van God in de hemel open, en er verscheen een groot teken aan de hemel: een Vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood. Toen verscheen
aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode Draak. Hij had zeven koppen en tien horens en op elke kop een diadeem. En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp die op de aarde. En de Draak stond vóór de Vrouw, die zou baren om zodra zij gebaard had, haar kind te verslinden. En zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. En haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn waar zij een plaats heeft, door God bereid. En ik hoorde een stem in de hemel roepen: “Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Gezalfde.”

Tussenzang (Ps. 45/44)
Refrein: Naast u staat de koningin, getooid met goud.
Prinsessen komen u daar tegemoet, en naast u staat de koningin, getooid met goud uit Ofir. Nu luister, dochter, wees aandachtig, vergeet uw volk, vergeet uw vaderhuis.
Uw schoonheid wekt de liefde van de koning, brengt hem uw hulde, want hij is uw heer. Men haalt hen in met blijdschap en gejuich, zij treden binnen in de koninklijke woning.

Tweede lezing (1 Kor. 15, 20-26)
Broeders en zusters, Christus is opgewekt uit de doden als eersteling van hen die ontslapen zijn. Want omdat door een mens de dood is gekomen, komt door een mens ook de opstanding der doden. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens, bij zijn komst die Christus toebehoren; daarna komt het
einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen, na alle heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. Want het is vastgesteld, dat Hij het koningschap zal uitoefenen, tot Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. En de laatste vijand, die vernietigd wordt, is de dood.

Vers voor het evangelie
Alleluia. Maria is ten hemel opgenomen: het engelenkoor jubelt. Alleluia.

Evangelie (Lc. 1,39-56)
In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar de stad in Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. Zodra Elizabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabeth werd vervuld met de heilige Geest en riep uit met luide stem: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt? Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.” En Maria sprak: “Mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder, daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig, omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed, en heilig is zijn Naam. Barmhartig is Hij, van geslacht tot geslacht, voor hen die Hem vrezen. Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. Heersers ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren overlaad Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen. Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig jegens Abraham en zijn nageslacht, gelijk Hij had gezegd tot onze Vaderen.” Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was keerde zij naar huis terug.

Donderdag 16 augustus – H. Stefanus van Hongarije / H. Tarcisius, martelaar

Eerste lezing (Ez. 12, 1-12)
Het woord van de Heer werd tot mij gericht: “Mensenkind, gij woont te midden van een weerspannig volk, dat ogen heeft om te zien, maar niet ziet, en oren om te horen, maar niet hoort; het is nu eenmaal een weerspannig volk. Mensenkind, pak bij elkaar zoveel als een balling mee kan nemen en ga bij dag voor aller ogen in ballingschap. Voor hun ogen moet gij uit uw woonplaats wegtrekken naar elders; misschien komen ze dan tot het inzicht, dat ze een weerspannig volk zijn. Breng de bagage voor uw ballingschap overdag onder hun ogen naar buiten, en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond, als een balling. Maak onder hun ogen een gat in de muur en stap daar doorheen. Ge moet uw bagage onder hun ogen op uw schouders laden en in het donker vertrekken; ge moet uw gezicht bedekken, zodat ge de grond niet kunt zien, want Ik maak u tot een teken voor het volk van Israël. Ik deed zoals mij bevolen was: ik bracht de bagage, die ik als balling nodig had, naar buiten, en tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouders en vertrok. De volgende morgen werd het woord van de Heer tot mij gericht: “Mensenkind, heeft het volk van Israël, dat weerspannige volk, u niet gevraagd: Wat doet ge? Zeg tot hen: Zo spreekt God, de Heer: Dit is een boodschap voor de vorst in Jeruzalem en voor heel het volk van Israël dat daar woont. Zeg tot hen: Ik ben voor u een teken; zoals ik gedaan heb, zo zal ook met u gebeuren: in ballingschap, in gevangenschap, zult ge gaan. Uw vorst zal in het donker zijn bagage op zijn schouders en de stad verlaten; men zal een gat in de muur maken om hem naar buiten te laten; hij zal zijn gezicht bedekken, omdat hij deze grond met eigen ogen niet zal weerzien.”

Tussenzang (Ps. 78/77)
Refrein: Vergeet toch nooit wat God heeft gedaan!
Zij beproefden en tartten God weer en wilden zijn wetten niet onderhouden. Zoals hun vaderen dwaalden zij af, als pijlen van onbetrouwbare bogen.
Met offerhoogten tergden zij Hem en wekten zijn naijver op met hun beelden. God zag hun gedrag en ontbrandde in woede, wierp Israël ruw van zich af.
Zijn Sterkte liet Hij in ballingschap gaan, zijn Luister gaf Hij de vijand in handen. Zijn volk gaf Hij prijs aan het moordende zwaard, zijn gramschap kwam neer op zijn erfdeel.

Vers voor het evangelie (Ps. 27/26, 11)
Alleluia. Toon mij uw weg, Heer, bij tegenstand, leid mij langs effen paden. Alleluia.

Evangelie (Mt. 18, 21-19, 1)
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde hem: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning, die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem, die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat, om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen de dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar, die hem honderd tienlingen schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: “Betaal wat ge schuldig zijt.” De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: “Heb geduld met mij en ik zal u betalen.” Maar hij weigerde, en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld betaald zou hebben. Toen nu de overige dienaars zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: “Gij, lelijke knecht, heel die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat ge mij erom gesmeekt hebt. Had gij dan ook geen medelijden moeten hebben met uw mededienaar, zoals ik met u medelijden heb gehad?” En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.” Toen Jezus deze toespraak geëindigd had, vertrok Hij uit Galilea en ging naar het Overjordaanse gebied van Judea.

Vrijdag 17 augustus

Eerste lezing (Ez. 16,1-15.60. 63)
Het woord van de Heer werd tot mij gericht: “Mensenkind, gij moet Jeruzalem haar verfoeilijke daden onder ogen brengen. Gij moet zeggen: Zo spreekt God de Heer tot Jeruzalem: “Naar herkomst en afstamming zijt gij uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was een Amoriet, uw moeder een Hethietische. En wat uw geboorte betreft: op de dag dat gij gebaard werd, is uw navelstreng niet doorgeknipt, zijt gij niet met water schoongewassen, niet met zout gewreven en niet in doeken gewikkeld. Geen oog is met u begaan geweest, men heeft niet naar u gekeken om uit medelijden één van die dingen voor u te doen. Gij zijt neergegooid op het veld, omdat men een afkeer van u had, op de dag van uw geboorte. Toen ben Ik voorbijgekomen en heb Ik u gezien. Ik zag u trappelen in uw bloed en terwijl gij daar zo trappelde in uw bloed, zei Ik: Jij moet in leven blijven! Ja, Ik zei tot u die daar lag in uw bloed: Jij moet inleven blijven! Ik heb u laten opgroeien, als het kruid op het veld, en gij zijt groot geworden en tot volle wasdom gekomen. Uw borsten werden vast en uw haren groeiden aan, maar gij waart nog naakt en bloot. Toen kwam Ik weer voorbij en zag Ik, dat de tijd van de liefde voor u was gekomen. Ik heb de slip van mijn mantel over u uitgespreid en uw naaktheid bedekt. Ik heb u trouw gezworen en een verbond met u gesloten – zo spreekt God de Heer – en gij zijt de mijne geworden. Ik heb u met water gewassen, het bloed van u afgewist en u met olie gezalfd. In bonte weefsels heb Ik u gekleed en met kostelijk leer geschoeid; Ik heb u een linnen hoofddoek omgebonden en u een zijden mantel omgeslagen. Ik heb u met sieraden getooid; om uw polsen heb Ik armbanden gedaan en een snoer om uw hals. Ik gaf u een neusring, oorringen en een schitterende diadeem op uw hoofd. Gij hebt u met goud en met zilver getooid, en uw kleren waren van linnen, van zijde en van geborduurde weefsels; uw voedsel bestond uit het fijnste meel en honing en olie. Gij werd een schone vrouw, een uitzonderlijke schoonheid, het koningschap waardig. En onder de heidense volken verbreidde zich uw faam vanwege die schoonheid, want die was volmaakt, door de luister die Ik u had bijgezet, – zo spreekt God de Heer -. Maar door uw schoonheid zijt gij zelfverzekerd geworden en gij zijt ontucht gaan plegen met uw faam; aan iedere voorbijganger hebt gij uw ontucht aangeboden. Toch zal Ik weer terugdenken aan het verbond, dat Ik in uw jonge jaren met u was aangegaan. Ik zal een eeuwigdurend verbond met u sluiten. Dan zult gij tot inkeer komen en schaamrood worden; van schaamte zult gij uw mond niet meer opendoen wanneer Ik verzoening bewerk voor alles wat gij hebt gedaan.”

Ofwel
(Ez. 16, 59-63)
Zo spreekt God de Heer: “Met u zal Ik doen zoals gij met Mij hebt gedaan, gij die de eed zo gering hebt geacht dat gij het verbond hebt verbroken. Toch zal Ik weer terugdenken aan het verbond dat Ik in uw jonge jaren met u was aangegaan. Ik zal een eeuwigdurend verbond met u sluiten. Dan zult gij terugdenken aan uw gedragingen en u schamen, wanneer Ik uw zusters, de grotere en de kleinere, zal krijgen en ze u als dochters zal geven, zonder dat het verbond met u Mij daartoe verplicht. Ik zal mijn verbond met u sluiten en gij zult erkennen, dat Ik de Heer ben. Dan zult gij tot inkeer komen en schaamrood worden en van schaamte geen mond meer opendoen wanneer Ik verzoening bewerk voor alles wat gij gedaan hebt.”

Tussenzang (Jes. 12, 2-3, 4bcd, 5-6)
Refrein: Ik dank U, o Heer, Gij waart toornig op mij, maar nu schenkt Gij troost en vergeving.
God is mijn heil, ik verlaat mij op Hem, ik hoef voor geen onheil te vrezen. De Heer is mijn sterkte, de Heer geeft mij kracht, Hij toont zich mijn helper en redder. De dag is nabij dat ge water zult putten met opgeruimd hart uit de bron van het heil.
Brengt dank aan de Heer en huldigt zijn Naam, verkondigt de volken zijn machtige daden, maakt alom zijn grootheid bekend. Zingt luid voor de Heer, die wonderen deed, laat heel de aarde het horen. Verheugt u en juicht, gij die Sion bewoont, want Israëls Heilige woont in uw midden.

Vers voor het evangelie (1 Tess. 2,13)
Alleluia. Ontvangt het goddelijk woord, niet als een woord van mensen maar als wat het inderdaad is: het woord van God. Alleluia.

Evangelie (Mt. 19, 3-12)
In die tijd kwamen er Farizeeën naar Jezus toe om Hem op de proef te stellen met de vraag: “Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten, om welke reden dan ook?” Hij gaf hun ten antwoord: “Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden één vlees? Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden.” Zij zeiden Hem: “Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven bij het wegzenden van een vrouw een scheidingsbrief te geven?” Hij antwoordde: “Om de hardheid van uw hart heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden; aanvankelijk was dit echter niet zo. Ik zeg u dus: wie zijn vrouw wegzendt – en dit niet wegens ontucht – en een ander huwt, begaat echtbreuk; en wie een weggezonden vrouw huwt, begaat echtbreuk.” De leerlingen zeiden Hem: “Als de verhouding tussen man en vrouw zó is kan men beter niet trouwen.” Hij antwoordde: “Niet iedereen kan dit begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is. Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn voortgekomen; en er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen. Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het!”

Zaterdag 18 augustus – H. Helena

Eerste lezing (Ez. 18, 1-10.13b.30-32)
Het woord van de Heer werd aldus tot mij gericht: “Hoe komt gij erbij, op het land Israël dat spreekwoord toe te passen: De vaders eten zure druiven, de zonen krijgen slechte tanden? Zowaar Ik leef – zo luidt het woord van God de Heer: Niemand zal dit spreekwoord
meer mogen gebruiken in Israël! Werkelijk: alle mensen zijn voor Mij gelijk en de zoon is voor Mij even goed als de vader. Alleen de mens die zonde bedrijft: hij zal sterven! Als iemand rechtvaardig is en handelt volgens wet en recht, als hij geen offermaal houdt op de bergen en niet zijn ogen opheft naar de afgoden van het volk Israël, als hij niet de vrouw van zijn naaste onteert en geen gemeenschap heeft met een vrouw, die haar maandelijkse onreinheid heeft, als hij niemand verdrukt, de schuldenaar zijn onderpand teruggeeft en geen roof pleegt, als hij zijn brood met de hongerige deelt en de naakte aan kleding helpt, als hij niet tegen rente uitleent, geen toeslag aanneemt, zich van onrecht verre houdt en in een geschil een eerlijke uitspraak doet, als hij wandelt volgens mijn geboden en mijn verordeningen nauwgezet in acht neemt, dan is zo iemand rechtvaardig en zal hij zeker in leven blijven, dat zegt God de Heer. Maar wanneer die man nu een zoon verwekt, die een schurk is en een bloedvergieter en die een van de genoemde dingen helaas wel doet? Zal zo een dan in leven blijven? Neen, dat zal hij niet. Hij heeft al die afschuwelijkheden bedreven en hij zal zeker sterven. Zijn bloed komt op hem neer. Ieder van u zal Ik oordelen naar zijn eigen gedragingen, volk van Israël! – zo spreekt God de Heer – Bekeert u en wendt u af van al uw wandaden, want anders zoudt gij terecht ten val komen. Werpt al die wandaden, die gij hebt bedreven, van u af; geeft uzelf een nieuw hart en een nieuwe geest! Waarom zoudt gij willen sterven, volk van Israël? Ik vind toch immers geen behagen in de dood van iemand, die sterven moet – zo zegt God, de Heer: Bekeert u dus en blijft in leven!”

Tussenzang (Ps. 51/50)
Refrein: Schep in mij een zuiver hart, mijn God.
Schep in mij een zuiver hart, mijn God, geef mij weer een vastberaden geest. Wil mij niet verstoten van uw Aanschijn, neem uw heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij weer de weelde van uw zegen, maak mij sterk in edelmoedigheid. Dan zal ik de dwalenden uw wegen leren, alle schuldigen terugvoeren tot U.
In geschenken hebt Gij geen behagen, wat ik U ook bied, Gij wilt het niet. Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid, een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.

Vers voor het evangelie (Ps. 95/94, 8ab)
Alleluia. Luistert heden naar de stem van de Heer en weest niet halsstarrig. Alleluia.

Evangelie (Mt. 19, 13-15)
In die tijd werden er kleine kinderen bij Jezus gebracht, opdat Hij hun de handen zou opleggen en een gebed over hen spreken. Maar bars wezen de leerlingen ze af. Jezus echter zei: “Laat die kinderen toch begaan en verhindert ze niet bij Mij te komen. Want aan hen, die zijn zoals zij, behoort het Rijk der hemelen.” En nadat Hij hun de handen had opgelegd vertrok Hij vandaar.

“Uw Woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad”
(Psalm 119)

Dagelijks Brood is een uitgave van het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood
Giften voor het heiligdom zijn van harte welkom
via Ideal op onze doneerpagina
of IBAN NL42 RABO 0120 5023 99
t.n.v. Dioc. Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hartelijk dank voor uw gave.
Verdere info: www.olvternood.nl